Amor vincit omnia - Josephine van Dijk - Bustin

AMOR VINCIT OMNIA

Daar mijn ouders vroeger een drukke zaak en een groot huishouden bestierden namen mijn zusje, onze 5 broers en ondergetekende, namens hen diverse representatieve verplichtingen waar. Daaronder het wekelijks kerkbezoek, jaardiensten, deelname aan processies en (met Allerheiligen) een jaarlijks bezoek aan ‘Aw-Kirk’ alwaar het kerkhof van ons Limburgse geboortedorp gevestigd is

 

De processies waren wel leuk; die vonden meestal plaats op een zonnige zondagmorgen en de tocht verliep onder begeleiding van de (wonderlijk goed) musicerende fanfare, door de velden. Wij amuseerden ons door te kijken naar de normaal zo onverstoorbare koeien die dan met opgeheven staart door de weilanden draafden.

 

Kerk- en vooral kerkhofbezoek behoorden echter niet tot onze favoriete uitjes. Met name dat laatste was een droefgeestig gebeuren. Allerheiligen valt in november dus meestal viel er motregen hetgeen niet bijdroeg aan een fijne atmosfeer. De dreigende boodschap ‘Gedenk mens, uit stof zijt gij geboren en tot stof zult gij wederkeren’ kwam luid en duidelijk bij ons binnen: je kunt nu wel houden van jouw pappa en mamma en blij zijn met jouw mooie poppenhuis en/of pony, doch ooit zal alles weg zijn, inclusief jij zelf.

Wij vreesden dan ook van kleins af aan de dag dat wij onze ouders naar dat sombere oord zouden moeten brengen.

 

Ook tijdens de vele uren die wij in de kerk doorbrachten raakte ik soms van slag door de gepredikte verhalen die zowel ambivalent (‘De verloren zoon’ versus het credo ‘braaf zijn’: ja, duhuhhhh) als angstaanjagend van aard waren (‘Stoute mensen en de mensen om hen heen worden gestraft met plagen en ziektes.’ Hetgeen ik niet vond stroken met de christelijke boodschap inzake naastenliefde).

 

Mijn zusje zat de tijd in de kerk gelaten uit en ik trachtte in die saaie uurtjes enige verstrooiing te vinden door een stukgelezen kinderboekje getiteld ‘Ik doe mee met de mis, van achter naar voor en zelfs op zijn kop te lezen en keek gefascineerd toe hoe de andere meisjes de inhoud van hun tasjes op de bank uitstalden (wij hadden geen tasjes omdat onze Mamma niet zo met mode bezig was).

 

Ik nam mij dan ook voor om als ik later groot zou zijn: niet meer zo vaak naar de kerk te gaan, nooit meer een voet op de kerkhof te zetten en .. een heel mooi tasje te kopen.

Inmiddels ben ik groot (1.76 m.) en ga ik inderdaad slechts sporadisch naar de kerk. Voorts ben ik in het bezit van een mooie tassencollectie. Voortschrijdend inzicht brengt mij er echter toe deze niet in te zetten als verstrooiing tijdens saaie vergaderingen en lezingen: het zou namelijk voor mijzelf gênant en jegens de spreker en andere aanwezigen nogal onbeleefd zijn de inhoud (lipstick, parfum, lenzenspul, zakdoekjes, etc.) voor mij uit te stallen op de vergadertafel. (Overigens net zo onbeleefd als het tijdens vergaderingen voortdurende checken en gebruiken van de Black Berry, zoals dat nu gebruikelijk is).

 

Aw-Kirk heb ik jaren lang veelal weten te mijden. Dat wil zeggen: ik kwam er af en toe om overleden dierbare mensen te begeleiden naar hun laatste rustplaats. Tot op de dag dat het door mijn zus en mij zo gevreesde moment aanbrak en 2 van de belangrijkste mensjes uit ons leven (onze ouders) zich daar permanent vestigden. Ineens bevonden wij ons gezamenlijk op een zonnige dag voor Allerheiligen, op het kerkhof alwaar wij gewapend met schrobber, schoonmaakmiddel en bloemen, naartoe waren getogen teneinde hun residentie schoon te maken. En dat alles op vrijwillige basis.

 

Mijn zus en ik kweten ons op de voor ons typerende ‘zussen-wijze’ van onze taak, dat wil zeggen: afwisselend kibbelend en gierend van de lach, hier en daar gelardeerd met een droevig traantje. Zij ging voortvarend aan de slag met onkruid en gaf mij een taakje waarvan ik mij, voor de vorm tegenstribbelend, kweet: water halen.

Ik liep met een emmer in de hand onhandig op hoge hakken door het grind naar de kraan alwaar ik in gepeins verzonk over de vraag of de eigenaar van het belendende pand wel wist dat er al decennia lang water van zijn leiding werd afgetapt en zo ja, of hij hier een vergoeding voor kreeg, terwijl mijn zus geduldig-ongeduldig stond te wachten. Nadat ik mijn missie had voltooid en haar de emmer overhandigde, gooide zij ‘eine klatsch water’(= een scheut water) over het graf van onze ouders en begon ijverig te schrobben op de manier waarop wij vroeger in ons ouderlijk huis de keuken schrobden hetgeen er (gezien de omgeving) nogal komisch uitzag en mij in lachen deed uitbarsten.

Ondertussen keken onze ouders tevreden en minzaam op ons neer, althans dat denk ik. Wij rondden onze activiteiten af door een bloemenstuk op het graf te deponeren dat 2 rode en 7 witte rozen (symbool voor ons ouderlijke gezin) bevatte. Op het aangehechte kaartje had ik de woorden ‘Amor Vincit Omnia’(liefde overwint alles) geschreven omdat dit onze ouders, hun leven en hun onderlinge, zeer liefdevolle, band het beste typeert.

 

Daarna maakten wij (dit keer geheel en al vrijwillig en met een respectvolle vrolijkheid) nog eens onze vroeger zo gehate rondgang over het kerkhof. Wij legden een roos bij de graven van familie leden en stonden even stil bij de mensen die wij hebben gekend.

Alhoewel ik schrok van het toenemende aantal namen van bekende mensen uit ons geboortedorp, gaf dat tegelijkertijd op een wonderlijke manier een geruststellend gevoel. Onze ouders zouden in het hiernamaals niet alleen omringd zijn door familie en vrienden, doch ook door vele leuke dorpsgenoten.

Ik stelde mij voor hoe Pap ‘visserslatijn’ spreekt en over de stand van de Maas praat met zijn visvrienden, spitsvondigheden uitwisselt over de gemeentepolitiek en herinneringen aan zijn bedrijf ophaalt met zijn vroeger werknemers en collega’s. Onderwijl kijkt Mam (op de haar eigen mysterieuze wijze) glimlachend toe en lacht om de grapjes van de plaatselijke middenstanders waarna zij gezamenlijk met alle daar aanwezige dorpsgenoten, familieleden, bekenden en vrienden vrolijk pratend en lachend een kaartcompetitie houden.

 

De zon scheen en de vogeltjes kwetterden en plotseling associeerde ik Aw-Kirk niet meer met somberheid.

Amor Vincit Omnia

 

 

 

 

 

© 2014 Josephine van Dijk-Bustin

 

 

 

 

Auteur

Josephine van Dijk-Bustin (1958)