Geest - Marc van der Hijden

Geest

7 september 2011

 

Je mag deze belevenis verbeelding noemen en daar zal er zeker iets van bijzitten, maar het geluid is in ieder geval echt. Ik heb het vastliggen op de geluidsfragmenten van de livemuziek die ten gehore werd gebracht tijdens zijn begrafenis in het bos van Sint Odiliënberg. Op het moment dat ik dit schrijf, is het alweer bijna vijf jaar geleden dat mijn oudste zoon Freek is overleden.

 

Op de akkers en velden heersen de roeken in grote zwermen en hoog in de lucht hoor je ze krijsen. Ze krijsen elkaar toe ‘Kra kra!’ Dat lijkt heel gewoon maar ik heb ontdekt dat als er ergens daar beneden iets niet pluis is hun kreten anders klinken. Ze roepen: ‘Kra, kra, kra’ en dan een kleine pauze en dan weer ‘Kra, kra, kra!’ en herhalen dat voortdurend. Ze maken grote cirkels boven het bos en verkondigen het onheil van de gebeurtenissen daar beneden op de grond. Bewust of onbewust, ik hoor de roeken regelmatig. Als ik op de natuurbegraafplaats kom, als ik thuis in mijn tuin achteroverleun, of toen ik deze zomer onder de kersenboom in Frankrijk een Buddha beeld als ‘denkplek’ voor mijn zoon Freek installeerde: ik hoor de boodschap, hoog boven mij: ‘Kra, kra, kra!’.

 

In die vijf jaar tijd heb ik de duizend herinneringen aan mijn oudste zoon vele malen herbeleefd. Het valt niet mee om verder te leven zonder iemand, die je niet missen kan. Gek genoeg laat je als vader het verdriet graag tot je komen. Zo werkt dat. Op die manier houdt de eigen herinnering hem een beetje levend. ‘Verdriet dat nooit voorbijgaat’ zegt men. Dat is ook zo: je draagt het altijd bij je, diep van binnen.

 

Nu moet je weten dat Freek een echte dierenliefhebber was. De hond in huis was zijn grote vriend. Maar ook een uit het nest gevallen koolmeesje, een grote bidsprinkhaan of een heel klein torretje, hij vond het allemaal heel erg interessant. Zelfs het gedrag van een gewone regenworm kon hem enorm fascineren. Urenlang was hij ermee bezig om dat te bestuderen. Toen ik met een stuk toiletpapier een grote spin van de muur haalde om hem daarna door te spoelen in het toilet, zodat we er zeker van konden zijn dat we die engerd nooit meer terug zouden zien, kreeg ik met een verwijtende blik te horen: ‘Je hebt mijn vriend, de spin doodgemaakt!’ Hij kon er oprecht verdriet om hebben. Ooit, toen hij een jaar of tien was, had hij een waterschildpadje, helemaal van hemzelf. Je weetwel dat is zo’n een diertje met een dinosauruskopje, waarvan je als ouder hoopt dat hij niet al te groot zal worden. Aan de onderkant van het beestje vormden de groene en gele lijnen van het schild heel duidelijk de letters ‘OTTO’. Dat moest zijn naam dus zijn. Wekenlang heeft hij plezier beleefd aan de verzorging van Otto. Maar toen het beestje onder de overdosis aandacht was bezweken en door zijn baasje persoonlijk naar zijn laatste rustplaats in de tuin was gebracht, overviel Freek een enorm verdriet. De tranen plengden werkelijk uit zijn ogen, aandoenlijk om te zien. Zijn beide broers hadden hem, met een verslagen blik in de ogen, bij deze moeilijke tocht door onze tuin begeleid en stonden er beteuterd bij.

 

Ook later, toen Freek door zijn ziekte, thuis aan zijn bed gekluisterd was en probeerde te herstellen van de intoxicatie van de vele chemicaliën die men hem had toegediend, bleef zijn verbondenheid met de dierenwereld overeind. Hij vond het niet erg dat ik de muggen die zich verzamelden rond zijn bed, met een ferme mep de wereld uithielp. Maar toen ik - en passant- ook maar even een spinnetje meenam kreeg ik weer die verwijtende blik, met de zucht van een zoon die moe wordt van zijn ouder, omdat hij het steeds weer opnieuw moet uitleggen: ‘Die had van mij mogen blijven leven, dat zijn nuttige dieren.’

 

Welnu, het gekrijs van de roek is door de geluidsopnames van zijn uitvaart, voor mij dus eeuwig met Freek en zijn liefde voor de dieren verbonden.

 

De afgelopen weken kwamen de signalen vanuit de lucht opeens weer naar mij toe. Ik had er eerst geen erg in, ik ben immers aan de aanwezigheid van die gevederde kameraden gewend geraakt. Toch was er dit keer iets in mij dat aangaf dat ik Freek moest gaan bezoeken. Ik was er alweer een tijdje niet geweest. Maar hoe zoiets dan gaat, het kwam er weer niet van. Zo kon het gebeuren dat ik gisterochtend in mijn werkkamertje aan mijn computer zat, met het raam achter mij vol open om de frisse ochtendlucht naar binnen te laten. En ineens hoor ik, eerst vanuit de verte, maar dan zeer luid achter mij: ‘KRA, KRA, KRA!’ Het dier moet op het platte dak onder mijn open raam gezeten hebben, zo hard drong zijn gekrijs tot mij door. ‘Kra, kra, kra!’ Ik ben niet opgestaan om te kijken en eigenlijk heb ik er op dat moment verder geen aandacht aan besteed. Maar ’s middags moest ik voor mijn werk naar Roermond en als vanzelf, ben ik een uurtje eerder gegaan en reed ik op de automatische piloot naar de natuurbegraafplaats Bergerbos.

 

Als ik daar aankom krijgt de gestileerde contrabas die zijn rustplaats markeert, altijd een schouderklopje. Alsof het mijn zoon zelf is die daar op mij wacht en dat is natuurlijk ook een beetje zo. Ik doe wat onduidelijke dingen die ik daar altijd doe: lees het bordje met zijn naam erop, bekijk zijn schoenen die daar op hem wachten, scharrel wat om de plek heen en neem even plaats op het bankje dat er staat. Een moment om te mijmeren. Een punt van rust. Het drumstelbekken met de tekst ‘een onvergeetbare vriend’ ligt nog op zijn plaats. Het kleine Buddha beeldje staart het bos in. Alles oké, er heerst vrede.

 

Dan zie ik tussen het gebladerte twee jampotjes staan. Vermoedelijk een overblijfsel van meegebrachte bloemen van vrienden die hem niet vergeten zijn. In een van de potjes zwemt een muggenlarfje door het brakke water. Het andere potje zit vol met zwarte smurrie en verspreidt een vreselijke lucht. Bovenop de ondefinieerbare laag prut zie ik een klein zwart torretje, dat vecht voor zijn leven. Hij kan er niet op eigen kracht uitkomen! Eenmaal in zo’n glazen potje beland, kan een tor door de gladde wand niet meer omhoog, de uitgang is onbereikbaar geworden. Geheel in lijn met de geest van Freek, help ik het torretje eruit. ‘Hup, kom er maar uit vriendje, terug het bos in jij, zodat we je gescharrel weer kunnen bestuderen.’ Dan bekijk ik de zwarte prut in het jampotje en tot mijn schrik ontdek ik dat het allemaal torrenlijkjes zijn! Honderden torretjes zijn jammerlijk aan hun eind gekomen omdat ze de strijd tegen het gladde glas hebben moeten opgeven. Er staat mij niets anders te doen dan ervoor te zorgen dat die torrenval wordt opgeruimd. Ik ontdoe het potje van zijn macabere inhoud en spreid die uit over de zachte bosgrond. De geur is ondraaglijk. Voorzichtig schuif ik er wat dorre bladeren overheen. Had ik nu eerder mijn gevoel gevolgd en geluisterd naar de roeken, dan had ik waarschijnlijk veel meer torretjes van de ondergang kunnen redden. Sorry Freek, sorry voor die ouder die niet had opgepikt en het weer niet had begrepen. Volgende keer kom ik sneller naar je toe. Beloofd!

 

Buiten roeren zich de roeken weer. Het zal een bedankje zijn: ‘Kra, kra!’

 

 

© Marc van der Hijden, 7 september 2011

 

Auteur

Marc van der Hijden (1952)

 

 

Op 4 december 2006 overleed mijn oudste zoon Freek, aan de gevolgen van acute lymfatische leukemie. De belevenis die ik hier beschrijf is waar gebeurd.

Freek van der Hijden

16 oktober 1982

4 december 2006