Take Five - Marc van der Hijden

TAKE FIVE

Nadat ik mijn eerste kus van een meisje kreeg toegediend was ik helemaal hoteldebotel. Kriebels in mijn buik, niet meer slapen, geen zin in eten, het kon niet anders: ik was verliefd! Ondanks de negatieve opmerkingen van mijn vader, of waren het waarschuwingen? Was hij misschien bang dat ik verdriet zou oplopen? Ik voelde mij allemachtig aangetrokken tot het meisje dat mij die kus gegeven had, die éne kus, een meisje een kus…ik?! Tegenwoordig groeien kinderen ermee op en vinden volwassenen het komisch en prima dat kinderen elkaar een kus geven wanneer ze elkaar graag mogen, maar in mijn jeugdjaren was dat beslist niet aan de orde. Dit soort gevoelens ontwikkelde je überhaupt pas rond je 15e levensjaar, zeker als jongen. Ik had dan ook geen idee wat ik met de situatie aan moest, al wist ik zeker dat ik het een uiterst prettige ervaring vond, ik werd er helemaal warm van als ik eraan terugdacht. Het smaakte in ieder geval naar meer en ik besloot daarom om haar te op te zoeken.

 

Zo ging ik daags na die eerste kus op weg naar haar huis. Ze woonde in een statig rijtjeshuis met een grote groene houten garagepoort, met loopdeurtje. Een ietwat over-bemeten wit naambord naast de voordeur, moest de voorbijgangers erop attenderen dat er hier een ‘advocaat’ woonde. Je kon het van de overkant van de straat nog goed lezen. Dat moet haar vader zijn geweest, die advocaat. Nadat ik voorzichtig had aangebeld zwaaide een statige dame in een mantelpakje, compleet met parelketting om haar hals en witte schoenen met hoge hakken, de voordeur open. Ik denk niet dat ze net aan het stofzuigen was, ze zat vast aan de thee. Ze had een kapsel dat mij deed denken aan dat van mijn moeder wanneer die naar een bruiloft moest. Er zat geen haartje scheef. De dame bekeek mij van top tot teen en vroeg: ‘Wat kom je doen?’ Later heb ik pas begrepen dat deze mevrouw op basis van mijn uiterlijk en kleding meteen een inschatting probeerde te maken van het milieu waaruit ik voortkwam. Haar man was tenslotte advocaat, een ‘belangrijk persoon’ en niet zomaar iedereen kon in hun familie-omgeving worden toegelaten. Als beheerder van haar huishouding moest ze ervoor waken dat de omgang van haar dochter wel van gegoede afkomst was. ‘Dag mevrouw, ik kom voor uw dochter’ probeerde ik beleefd. ‘Loop maar door het poortje naar de tuin dan komt ze achterom’. Oké, niet door het huis dus, ‘dan maak ik misschien iets vies’ dat dacht ik nog. Licht verbaasd, maar opgelucht dat ik niet meteen weggestuurd werd, liep ik naar het groene poortje.

 

Herkomst en milieu, dat was wat in die tijd: Een vraag als ‘Wat doet je vader?’ was heel gebruikelijk. Ik herinner mij nog dat mijn vader zich daar erg kwaad over kon maken. Hij zei regelmatig: ’Wat jouw vader doet, daar heeft niemand iets mee te maken. Wanneer iemand je ooit vraagt, wat doet je vader, dan antwoordt je maar: die is souteneur’, waarna hij heel hard begon te lachen. Zonder dat ik precies wist wat dat inhield, begreep ik wel dat het iets heel ernstigs was en dat ik het in voorkomende gevallen maar beter niet kon gebruiken. Ik kan mij dan ook niet herinneren dat ik ooit van deze vadergrap gebruik gemaakt heb, zeker niet toen ik kennis maakte met deze moeder van mijn eerste liefde, al moet ik toegeven dat ik er wel even aan moest denken toen ik zo kritisch werd getaxeerd.

 

De liefde bleek echter van zeer korte duur, of misschien wel volstrekt eenzijdig. De dame in kwestie waardeerde het zeer dat ik bij haar thuis op visite was gekomen, dat vertelde ze terwijl ze op mij neerkeek vanaf het trapje bij de keukendeur, ze deed geen enkele stap in mijn richting en ik ‘moest nou niet gaan denken dat we een relatie hadden of iets dergelijks’. ‘Relatie?’ ‘Iets dergelijks…’ dacht ik. Ze wilde mij eigenlijk voorlopig even niet meer zien we hadden tenslotte geen verkering. ‘Krak’…(de dat was de eerste barst in mijn hart) ’geen verkering’ geen idee wat er werd bedoeld, ik begreep enkel maar dat ‘niet meer zien …’ en ‘geen’. De boodschap kwam keihard bij mij binnen: de stemming sloeg direct om. Het was dus niet wat ik dacht dat het was, al wist ik daar verder niet zo veel van, zou ik hier dan toch van doen hebben met een ‘jongensgek’ zoals mijn pa haar reputatie had genoemd? Wanneer ik eraan terugdenk voel ik na al die jaren, nog steeds de enorme teleurstelling, een brok in mijn keel: slik.

 

Ik weet nog wat ik na die mededeling deed, terwijl zij intussen weer via de keukendeur naar binnen glipte en nog één keer vanachter de vitrage naar mij zwaaide: in een zware mineur stemming liep ik zomaar bij hen de tuin in, ik was écht even de weg kwijt. Het was een warme, zomerse lentedag en de tuin lag er idyllisch bij, de seringen geurden in volle bloei, al had ik daar geen oog voor op dat moment. Uit het aangebouwde tuinhuis klonk muziek en ik besloot, nadat ik had omgekeken of men mij niet vanachter het raam zou observeren, om daar eens een kijkje te gaan nemen.

 

Het tuinhuis was het domein van haar oudste broer die architectuur studeerde aan de ‘Rheinisch- Westfälische Technische Hochschule’ in Aachen. Ik heb de naam van de universiteit onthouden omdat ik het zo’n welluidende naam vind en omdat ik in mijn jonge jaren, nadat ik op school had geleerd hoe je dingen in perspectief kon tekenen, de ambitie had gekoesterd om later architect te worden. Ik had er nog geen weet van hoeveel je daarvoor moest kunnen leren. Het leek mij gewoon fantastisch om bouwwerken te creëren. Vele uren heb ik besteed aan het ontwerp van mijn eigen droomhuis. Maar daar bleef het verder bij.

 

Ik liep voorzichtig in de richting van de openstaande deur van het tuinhuis en zag haar broer daar achter een grote tekentafel zitten. De tekentafels in die tijd waren imposante tafels die, met hulp van grote contragewichten, gemakkelijk omhoog, omlaag of schuin gezet konden worden. De tafel had een kantelbare plank van het formaat ‘A0’ (ongeveer 16 x A4) en was voorzien van een ‘tekenmachine’ – twee linialen aan een bewegende arm, die je over het bord kon schuiven om haakse lijnen te trekken en alle soorten hoeken te maken. Het was een groot tuinhuis met veel lichtinval, ideaal voor het fijnere tekenwerk. Er waren geen computers in die tijd en al het architectonisch tekenwerk moest met de hand gebeuren, met speciale ‘Rotring’ pennen waar zwarte ‘Oost-Indische’ inkt in zat. Je moest de pennen zelf vullen met die inkt en dan kon je er héél fijne lijntjes mee trekken, maar maakte je even een verkeerde beweging dan had je een vlek en moest je weer hélemaal opnieuw beginnen. Dat was dus heel secuur werk.

 

Haar broer had een sympathiek gezicht en droeg voor die tijd, zijn haar redelijk lang: een grote bos blonde krullen sierde zijn hoofd. Ik herinner me zijn knalblauwe ogen die mij vragend aankeken. Hij kon aan mijn gezicht aflezen dat er iets niet lekker zat en stond op en kwam naar mij toe. ‘Hallo, wie ben je en wat is er aan de hand?’ vroeg hij. Na een paar keer mijn verdriet wegslikken kon ik hem vertellen wat er was gebeurd, ‘…en nu wil ze mij niet meer zien, ik begrijp er niets van’. ‘Ja joh’ zei hij, ‘zo gaat dat met vrouwen, de ene dag vinden ze je leuk en de andere dag moeten ze niets meer van je hebben, je kunt maar beter niet proberen dat te begrijpen, je moet het er maar mee doen, zo gaat het dikwijls totdat je op een dag de ware liefde hebt gevonden.’ Hij zal een jaar of twintig geweest zijn en had met zijn krullenkop en staalblauwe ogen, vast veel meer ervaring met vrouwen dan ik. Ik was nog maar een beginneling en had geen idee hoe ik de knoop die ik in mijn maag voelde, kon overleven. ‘Als ik zelf zoiets meemaak dan luister dan altijd naar muziek, dat helpt mij door de moeilijke dagen heen’ zei hij met een brede glimlach op zijn gezicht. Hij nam mij mee naar een hoek van het tuinhuis, daar stond de grammofoon waar de muziek vandaan kwam. ‘Moet je horen hoe mooi dit is’ Hij nam de draaiende plaat eraf, pakte een langspeelplaat uit het rek en legde de grote zwarte schijf op de grammofoon. Met een zachte trombone begon het trage ritme van What the world needs now Is love sweet love, gezongen door Dionne Warwick, een Amerikaanse zangeres. Maar na de eerste drie zinnen tilde hij de naald weer uit de groeven. ‘Deze tekst is misschien niet zo geschikt voor dit moment’ zei hij met een glimlach. Een volgend nummer van de langspeelplaat werd opgezet. Anyone who had a heart. ‘Goed luisteren’ zei hij ‘daar geniet ik van’ en hij had gelijk: het was mooi, de zwoele klanken van het nummer zweefden door de tuinkamer. Het maakte een diepe indruk op mij. Niet dat we thuis geen platenspeler hadden hoor, dat zeker wel, maar ons genre ging niet verder dan Freddy Quinn (Junge kom bald wieder) en Les Compagnons de la Chanson.

 

Na het eerste couplet zong Dionne: ‘Every time you go away, I always say, ‘this time it’s goodbye dear’. Voor de tweede keer werd de song afgebroken: hij tilde de pick-up arm op en zei: ‘Wacht, ik zal je eens iets anders laten horen’. Hij was duidelijk van plan mij troost te bieden en was bang dat ook deze tekst van Dionne een te grote impact zou hebben op mijn verdriet, maar ik kreeg die teksten amper mee op dat moment, ik had bovendien nog niet zo veel van de Engelse taal begrepen. Hij trok een elpee uit 1959 uit de kast van The Dave Brubeck Quartet, en zette het nummer ‘Take Five’ op. Ik vond het meteen prachtig: het maakte op mij een onuitwisbare indruk. Ik heb het nummer later nog vaak beluisterd en dacht dan terug aan dit moment. Het is een tijdloos mooi instrumentaal jazznummer en ik ben haar broer nog steeds dankbaar dat hij mij attent gemaakt heeft op wat muziek met een mens kan doen, in het bijzonder wanneer je emoties hoog dreigen op te lopen. Muziek ontroert je wanneer je geroerd bent.

 

Waarschijnlijk zou hij zich dit voorval niet meer herinneren, maar ik heb die broer nog altijd eens willen vertellen dat ik hem dankbaar ben gebleven voor dat ene moment en voor de manier waarop hij mij toen de weg wees in de richting van de muziek, een richting die ik nooit meer losgelaten heb. Dat gaat helaas niet meer. Via het internet kwam ik erachter dat hij in 2014 is overleden. Spijtig.

 

 

© 2016 Marc van der Hijden

 

Auteur

Marc van der Hijden (1952)

 

 

Non-fictie is voor mij herinnering. Een klein stukje historie over alledaagse dingetjes. Ik zal een jaar of 14 geweest zijn toen ik de eerste kus kreeg van een meisje.

(zie het verhaal De kus)

Dit is wat er daarna gebeurde.

Dave Brubeck - Take five