Paardenpies - Marc van der Hijden

Paardenpies

Een van de redactieleden van deze website haalde onlangs het voorbeeld aan dat hij opgegroeid is in een tijd dat een paard en wagen nog een heel gewoon verschijnsel was op de Nederlandse wegen. ‘Zouden onze kinderen daar weet van hebben?’ vroeg hij zich af.

Het is nog niet zo heel lang geleden, ik kan er zelfs van meespreken, je moet pakweg 50 jaar terug in de tijd. In die jaren was het thuisbezorgen van dagelijkse boodschappen heel gewoon. Mensen hadden immers nog weinig auto’s en doorgaans heel veel kinderen. De bakker kwam aan de deur, net als de melkboer en de kruidenier bracht de wekelijkse boodschappen keurig in een doosje tot in de gang. Ik herinner mij een vertegenwoordiger uit Roermond die ons bezocht met grote koffers vol met ondergoed en pyjama’s en een nors kijkende marskramer met een oude ronkende bus, afgeladen vol met huishoudelijke artikelen.

 

Gemotoriseerd vervoer was nog in opkomst en vrij kostbaar, paard en wagen was een veel gebruikt transportmiddel. Heel gewoon was dat: de bakker had een paard dat hij in leven hield met de resten brood van zijn eigen overproductie en oud brood dat hij mee terugkreeg van zijn klanten. Het paard werd dagelijks ingespannen voor de bruine houten kar met spaakwielen, die volgeladen was met vers ruikende broodproducten. Het was een gesloten wagen met boven de bok een afdakje, dat weet ik nog. Zo ging de bakker langs de deuren om zijn producten te slijten. De kolenboer had een oude Belgische knol. Het was een echt trekpaard, met van die dikke billen en een heel kort staartje. Ik zie nog de groene open kar voor me, met achterop de juten zakken vol met zwarte kolen die in die tijd als brandstof voor de kachel werden gebruikt. Eerlijke steenkool was het, met bloed en zweet, gedolven uit de Limburgse mijnen. Verschillende soorten verkocht de kolenboer, nootjes nul tot en met nootjes 3, de laatste was de kleinste soort. De brandtijd verschilde afhankelijk van de soort steenkool en het type kachel dat je in gebruik had. Zoiets was belangrijk om te weten. Vooral in de winter, wanneer je de kachel 's nachts door wilde laten smeulen. Er was nog geen centrale verwarming in de huizen en opstaan bij min tien graden was geen pretje. Ik weet nog dat mijn moeder en de werkster grapjes maakten over de altijd zwarte kolenboer die vanaf de bok vriendelijk naar alle vrouwtjes zwaaide met zijn grauwe pet. Ik hoor het ze nog zeggen: 'Een keer per jaar gaat hij in bad.' waarop de ander zei: 'met Kerstmis!' Ze giebelden wat af.

 

Dan had je nog de voddenboer, die de versleten kleding op kwam halen. 'Der loemelekeël' noemden ze dat bij ons in Limburg. De voddenboer was niet zo welgesteld. Hij had een heel klein karretje met een dito paardje. Had je veel vodden dan kreeg je een fel gekleurd windmolentje op een stokje. Was het maar een beetje, dan was hij onverbiddelijk: geen molentje. Ik heb nooit kunnen ontdekken hoeveel vodden gelijk stonden aan één molentje. Er zat een zekere willekeur in, of was dat juist zijn vakmanschap? De vodden werden hergebruikt voor de papierproductie. Het hergebruiken van afvalstoffen bestond in die tijd dus ook al.

 

Het paard was zo ongeveer de goedkoopste vorm van transport, een paard vroeg niet veel meer dan brood en haver en af en toe een emmer water. In de pauze van zijn noeste arbeid, meestal ergens halverwege de route, kreeg het paard een juten zak om zijn hoofd gehangen met een portie verse haver, dat slokte hij dan dankbaar naar binnen. Zo ook het paard van onze groenteboer. De kratten met verse groenten stonden schuin, daksgewijs opgesteld op de open wagen, zodat je de soorten en de kwaliteit goed kon bekijken. Hij had een kar met luchtbanden, dat was een hele vooruitgang in die tijd. De groenteboer parkeerde zijn kar elke woensdagmiddag op de schuine helling, bij de achteringang van ons huis. Hij riep 'Huuu! naar het paard, trok aan de teugels en draaide intussen snel de handrem aan met een rode zwengel zodat het paard niet het hele gewicht van de kar hoefde op te vangen. Af en toe mochten we het paard een suikerklontje voeren. 'Met de platte hand' zei de groenteboer dan lachend 'anders ben je dadelijk je vingers kwijt!' Nou daar wilde ik graag naar luisteren, al begreep ik niet zo goed waarom hij moest lachen bij het idee dat ik mijn vingers kwijt kon raken. Het bleef een stoere actie: de dikke ruwe lippen met stoppeltjes, floepten over je hand.

 

Op een warme zomerdag vond mijn moeder het paard een beetje treurig kijken. 'Och arm, het is zo warm, dat dier heeft dorst.' Daarom gaf ze hem een hele emmer vers leidingwater. Ze moest de emmer optillen want een ingespannen paard kan zich niet bukken. Maar wat mijn moeder zich niet gerealiseerd had was dat het koude water onmiddellijk zijn uitwerking had op de blaas van het trouwe trekpaard. Hij schoof zijn enorme piemel uit en begon vrolijk te plassen. Als manneke van amper dertien jaar vond je dat een indrukwekkende gebeurtenis. Met rode oortjes stond je ernaar te kijken. Liters paardenpis stroomden over de straat. Mijn moeder kon nog nét opzij springen om geen natte voeten te krijgen. Het paard was zichtbaar opgelucht, maar de piesreuk die hij achterliet was onbeschrijfelijk.

 

Dat een paard een gewoontedier is, dat bleek de week daarna: hij was nog maar net gestopt voor onze deur of hup, daar schoof hij zijn leuter weer naar buiten en liet het lekker lopen. Zo ging dat in het vervolg iedere week. De emmer water stond voortaan op woensdag klaar, niet meer om de dorst van het paard te lessen, maar om met een ferme zwaai de paardenpies te verdunnen.

Zo ging dat dus.

 

 

 

 

© 2015 Marc van der Hijden

Auteur

Marc van der Hijden (1952)

'Heerlijk zo'n herkenbaar verhaal tot in alle punten.

Nog ter aanvulling: het opstapje aan de achterkant van de bakkerskar was voor ons een geliefde plek om

op te zitten en een stukje mee te rijden.'

Jan Paters

de groenteboer

de bakker