Wonden dichten - Wouter Greven

Wonden dichten

1.

 

Herman de Coninck, mijn favoriete dichter, schreef zijn gedichten veelal in de nacht: met het zonlicht verdwenen ook de dagelijkse beslommeringen. Herman vond dan de tijd om zijn gedachten in gedichten te vatten, wat hem overdag nauwelijks lukte. Rond elf uur ís avonds begon hij met een eerste glas whisky, een wijntje of een Duvel (volgens Herman was één glas whisky gelijk aan bijvoorbeeld één Duvel, een glas wijn idem). Per nacht stond hij zeven van die eenheden toe, opdat hij de volgende middag weer fris en fruitig aan het werk kon. Hij dronk langzaam. Van elf 's avonds tot zes 's morgens één eenheid per uur. Een twijfelachtig systeem, dat moet ik toegeven, maar het geheel geeft wel blijk van een gegronde discipline.

 

Al deze smakelijke feitjes las ik in twee boeken over De Coninck: 'Taal zonder mij' van Kristien Hemmerechts (zijn laatste vrouw), een postuum eerbetoon aan Herman, en 'Een aangename postumiteit', een selectie van de brieven die de Coninck tussen 1965 en 1997 schreef.

 

De Coninck leefde ín zijn taal en mét zijn taal. Dit is wellicht een cliché, iets wat u vast al heel vaak heeft gelezen over de wonderlijke woorden van een willekeurige dichter. Nee, hij leefde écht in zijn taal. Hij dronk, dichtte, liep en vrijde in zijn gedichten. 'Een dichter leeft in zijn taal', aldus de meester zelf. Wellicht zijn mijn woorden vaag en overstemt mijn enthousiasme dát wat mij aanspreekt in De Conincks werk. Vandaar dit voorbeeld, uit zijn debuutbundel:  

 

'Je truitjes en je witte en rode

sjaals en je kousen en je directoirtjes

(met liefde gemaakt, zei de reklame)

en je brassières (er steekt poëzie in

die dingen, vooral als jij ze draagt) -

ze slingeren rond in dit gedicht

als op je kamer.

 

Kom er maar in, lezer, maak het je

gemakkelijk, struikel niet over de

zinsbouw en over de uitgeschopte schoenen,

gaat u zitten.

 

(intussen zoenen wij in deze

zin tussen haakjes, zo ziet de lezer

ons niet) Hoe vindt u het,

dit is een raam om naar de werkelijkheid

te kijken, alles wat u daar ziet

bestaat. is het niet helemaal

als in een gedicht?'

 

- De Lenige Liefde, 1969

 

De Coninck maakte me duidelijk hoe je met taal kan spelen, en hoe de taal met jou kan spelen, als kinderen die een glorieus zandkasteel bouwen van enkel zandkorrels. Hij maakte het alledaagse tot iets magisch. In het vorige gedicht bouwde Herman zijn gedicht om tot een kamer, waarin hij (tussen haakjes) met zijn meisje zoende. Ik zat ín die kamer toen ik dit gedicht voor de eerste keer las. Ik schrok en zocht beschutting achter de haakjes: wie ben ik om de voyeur uit te hangen? Onderweg naar buiten struikelde ik over de uitgeschopte schoenen en weet mijn val aan de chaotische zinsbouw, terwijl ik de rondslingerende truitjes, sjaals en kousen in zijn wasmand gooide. De imperfectie van De Conincks kamer bleek perfect voor mij.

 

Ik werd verliefd op zijn lenige taal. Zijn poëzie gebruikte ik als bril om naar de werkelijkheid te kijken. Ik werd een trapezewerker in het circus van De Coninck. Ieder meisje was als een vallende ster: er zijn er zoveel, maar je richt je op die ene. En je wenst. Ik wenste dat ik een dichter kon worden, en ik wenste nog meer. Ik wenste dat de zon bleef schijnen en dat de nachten bleven duren en dat het nooit herfst werd en ik wenste nóg meer. Ik wenste nog meer vallende sterren en nog meer wensen. Ik wenste dat bepaalde momenten eeuwig konden duren en ik wenste dit en ik wenste dat en ik wenste en ik wenste dat ik dit kon schrijven:

 

'Wanneer de zon gele bevelen

schreeuwt en horden wilde

witte bloemen rijden naar

het gevecht van de zomer,

 

dan springt eva van de ber-

gen en slingert haar lach

als een lasso.

 

Zal zij lichte vreugden dragen

zoals zachte billen in een

zeer fijn broekje?

 

Ja, en zij zal zeer verboden

zijn, een paradijs

in de omheining van haar naam.'

 

- De Lenige Liefde, 1969

 

Tot op heden niet gelukt, helaas.

 

Orde was een uitzondering in het leven van Herman. Hij was journalist bij Humo (een bekend Belgisch weekblad) en vervolgens redacteur bij een literair tijdschrift, maar bovenal dichter (Herman zou hoogstwaarschijnlijk zelf zijn ware aard in de dubbelzinnigheid 'dichter bij mijn hart' hebben gevat, al getuigt het van mijn kant van grootheidswaanzin en respectloosheid om in de naam van De Coninck te spreken, zij het tussen haakjes, lieve lezer, waar ik me enigszins beschut waan). Hij had een druk leven, waarin poëzie naar zijn mening een te kleine rol speelde. Logistiek werk voor zijn eigen tijdschrift nam de overhand. Hij schreef dan ook ongeveer vijfhonderd brieven per jaar. Niet geheel onlogisch dat zijn creatieve bezigheden in het slop raakten.

 

Niet alleen zijn creatieve bezigheden verloren hun aandeel, ook zijn liefdesleven raakte bedolven onder professionele verplichtingen. In het volgende brieffragment wijdt De Coninck, in een brief naar een bevriend echtpaar, uit over een vakantie, vlak nadat zijn vrouw hem heeft verlaten:

 

'Het is iets wat ik te weinig gehad heb, de voorbije vijftien jaar: dit soort luie vakanties. Een paar keer zelfs liet ik mijn (ex-)vrouw alleen gaan, en zat intussen een of ander essay-boek te schrijven, bedoeld voor de eeuwigheid. Dat essay-boek ligt inmiddels in de ramsj, mijn ex-vrouw daarentegen ligt nog goed in de markt.'

 

- Een aangename postumiteit: Brieven 1965-1997

 

Voor de duidelijkheid een kort resumé van zijn liefdesleven: het brieffragment betrof zijn tweede vrouw (Lief), waarvan hij halverwege de jaren '80 zou scheiden. Een aantal jaren daarna zou hij voor de derde keer huwen. Dit keer met Kristien Hemmerechts, inmiddels een bekende Vlaamse schrijfster. Zijn eerste vrouw (An) overleed in 1972 naar aanleiding van een auto-ongeluk. Herman bleef alleen achter met hun zoon, Tomas. Bij dezen een schrijnend gedicht over dit verlies:

 

'Verjaardagsvers

 

Je zei nooit wat. Ik moest het altijd vragen.

Of je van me hield. En je zoende.

Of het veilig was die eerste keer.

En je zoende weer.

En even later of ik het goed deed zo

en je zoende, o.

 

Je zei nooit wat, je zei het altijd met je ogen.

Je ogen die helemaal alleen

in je gezicht achterbleven als ik je verliet;

je ogen na geween:

je was er niet,

je keek me aan als verten

en ik moest erheen.

 

En als ik weer tot daar was

de ogen waarmee je het woord 'lieveling' zei,

keek of het niet veranderde

op weg naar mij.

 

En toen je naast de weg lag in de wei,

wat had je niet allemaal gebroken,

je benen, je ribben, je ogen, mij.

Je zei nooit wat, je zei het altijd met je ogen,

zoals je daar lag, te zieltogen,

te zielogen.

 

En je ogen die Tomas nu in heeft staan,

waarmee hij zegt: papa niet weggaan -

je zei nooit wat, hij zegt het, en jij kijkt mij aan.'

 

- Zolang er sneeuw ligt, 1975

 

2.

 

Het is een grijze donderdagochtend in oktober en ik denk na over de herfst. Een ongemakkelijk seizoen, vind ik. Is een trui te warm, of een T-shirt te koud? Moet ik mijn raam op een kier laten staan of zou ik de verwarming aan laten staan als ik naar de supermarkt ga?  Ik weet het niet. De herfst zelf volgens mij ook niet. Wie werpt nou zo'n mooie bladeren af? Dan kan het niet anders dan dat je niet lekker in je vel zit.

 

Het begint kouder te worden, de winter nadert (ik schrijf dit eind oktober, als de laatste warme dagen verdwijnen als sneeuw voor de zon). De steden en dorpen worden grauwer en verliezen hun glans. Het gemoed van de mens volgt het ritme van de seizoenen: ik bloei in de zomer maar verrot in de herfst.

 

Zelfs de bussen rijden harder in de herfst. Zelfs haar naam is minder mooi in de herfst (laat staan de uitgroei in haar lange blonde haren). Zelfs de kerk is killer in de herfst. Zelfs het eten is minder smaakvol in de herst. Zelfs mijn handen zijn droger in de herfst. Het bier smaakt minder rijk, en ja, zelfs de kater is zwaarder in de herfst. Nee, zelfs de ogen van de tandartsassistente kennen geen lente meer in de herfst.

 

De herfst, de aanloop naar het oog van de tornado: de winter. Pas dán valt alles weer op zijn plek. Pas dán overtuigt de kou, pas dán luistert men naar de natuur. In de winter lopen mensen weer in een normaal tempo. Bussen belichamen warmte, een busrit voelt als thuiskomen. De bomen zijn hun bladeren kwijt en hebben hier vrede mee: ze berusten in hun kaalheid. De mens lacht weer. Ik geef het stokje over aan Herman:

 

'Winterochtend

 

Ik hou van ochtendlijk vrijen,

vóór alles weer moet,

nog even mógen. En nadien, buik aan rug

nog wat tegen elkaar aanliggen in de klaarte

van net klaargekomen-zijn.

 

Buiten ligt alles helder vastgevroren,

een klare vriesochtend is altijd klaarder

dan een klare zomerochtend, ongeveer zoals

helderheid in een zwart-wit film

helderder is dan in kleuren.

Alles is zichtbaar. De naakte feiten

hebben kou.

 

Maar wij niet. Na de liefde buiten komen

is zoiets als van de sauna

in ijskoud water springen: je voelt het

nauwelijks. Je voelt het net genoeg

om je ijzersterk te weten.'

 

- Zolang er sneeuw ligt, 1975

 

De erotisch-getinte speelsheid verraadt De Coninck. Zijn debuutbundel reflecteerde al een bepaalde seksuele losbandigheid: 'De Lenige Liefde' was Herman's antwoord op zijn strenge, gereformeerde opvoeding, waarin seks een taboe was. Hij leefde zich letterlijk uit in zijn taal. In 'De Lenige Liefde' komt dit stoute, recalcitrante aspect van zijn schrijverschap mooi naar voren in een gedichtencyclus over Melinda.

 

5

 

'Ik jaag de hele dag achter Melinda,

zij is lenig als gedachten van een

belastingontduiker en zij lacht

zo snel als spiegels.

Zij draagt een jeans nauwsluitend

als slangehuid rondom de slangen

van haar benen, en daarboven draagt zij

uitsluitend Franse dingen, onder het motto

vorm en inhoud zijn één. O, soms

denk ik inderdaad dat verstand

slechts dient om achteraf te beseffen

wat je gedaan hebt.

Maar dan slaapt zij al

als een bloem van louter lippen

in de grond van haar schoot.'

 

6

 

'Zeemansliedje

 

Kijk hoe Melinda slaapt met d'r

borsten in d'r armen als twee blonde

kinderen. En even verderop

slaapt haar oudste met de zwarte

krullen. Waarom zou Melinda

kinderen willen, d'r lichaam

is een heel gezin.'

 

7

 

'Het was een prachtidee van haar ouders,

Melinda te verwekken. Aanvankelijk wou

ze dan ook zichzelf gaan studeren.

Psychologie noemt men die wetenschap,

geloof ik. Maar al gauw vond ze er

niks anders op zitten dan mooi te wezen

en mij te ontmoeten.

 

Kijk eens wat ik hier heb, zegt ze

en brengt me voor het raam: allemaal

om naar te kijken.

En kijk eens wat ik nog heb, zegt ze

en wijst op zichzelf: het kan zoenen,

voegt ze er op hoge benen aan toe

terwijl ik mijn happy end voel groeien.'

 

- De Lenige Liefde, 1969

 

 

Het was dan ook de geschikte tijdsperiode voor dit soort teksten. Toen hij De Lenige Liefde schreef, eind jaren '60, was Herman een student in Leuven. De Coninck was geen actieve revolutionair, geen rechtschapen communist, maar wie zich wilde afzetten van zijn of haar katholieke jeugd, greep al snel naar het maoïsme. Het was meer een uitvlucht voor jongeren dan het oprecht aanhangen van een ideologie. Ze vertelden hun verhalen voor een glas bier, als ware het een microfoon, en gevoelens bewogen zich snel in grote woorden. Het was een illusie, die revolutie, maar het bleek dat je met romantiek en grote gebaren de realiteit op een afstandje kon houden. In 1997, niet lang voor zijn dood, schreef hij het volgende:

 

'Ik hoop dat ik altijd wel een beetje links zal blijven, en misschien vooral averechts. Nooit rechts.'

 

- Een aangename postumiteit: Brieven 1965-1997

 

3.

 

Ik heb me in dit verhaal beperkt tot gedichten uit zijn eerste twee dichtbundels, De Lenige Liefde en Zolang er sneeuw ligt. Iets zit niet lekker, ik voel me schuldig en kwaad tegelijk: ik ben zoveel moois vergeten. Gedichten kiezen is zoiets als je favoriete nummer kiezen: onmogelijk, want je voorkeuren wisselen zich af. De ene dag het een, de volgende dag het ander. Het menselijk gemoed volgt de seizoenen en de menselijke voorkeur voor bepaalde kunstuitingen volgt het gemoed. Zoiets. Misschien hangen de seizoenen ook wel samen met de menselijke voorkeur voor een creatieve uiting, wie weet?

 

Het is vandaag een donderdag, eind november. Ik weet niet wat morgen mijn favoriete gedicht uit Hermanís eerste twee bundels is, of de week erna, of de week dáárna. Maar ik weet wel, en dat voel ik aan alles, wat vandaag mijn favoriete gedicht is. En laat ik daar, als klap op de vuurpijl, mee afsluiten:

 

'Hotel Eden

 

En 's nachts gingen we naakt zwemmen, we zwommen

onze namen op het water, ik zwom An in twee

grote letters, jij zwom uitgebreid aan de naam

Herman, en met de gouden maan eroverheen

leek het wel alsof we onze namen definitief

genoteerd hadden op een van de gewijde bladzijden

van het Boek.

 

Nadien kuste ik de waterdruppels

van je gezicht, voorzichtig één voor één

zoals een pointillist toetsjes aanbrengt

op zijn doek 'naakte vrouw bij maanlicht',

en in geen enkele vergelijking pasten je

borsten zo mooi als in mijn handen.

 

En in bed, ik kwam al van ver aan-

gerend declamerend 'Hier Ruk Ik Aan

Met Een Erectie Als Een Pompiersladder

Om Jouw Brand Te Blussen' en we lachten

en wat maakten we een leven

 

dat we negen maanden later

Tomas zouden noemen.'

 

- Zolang er sneeuw ligt, 1975

 

 

Ik stop op het hoogtepunt van mijn dag. Dag.

 

 

 

© 2014 Wouter Greven