Fien - Marga van Donselaar

Fien

Uit het leven van een alleen wonende demente dame

 

Fien had 3 beurzen in haar tas. Eén voor haar huishoudgeld, één voor als ze naar de dagopvang in het bejaardenhuis ging en één voor de kiendopjes en de rozenkrans. Niet dat ze die laatste beurs nog gebruikte, ‘'Dass war einmal’' fluisterde soms een stem in haar hoofd. Ze had een Duitse moeder gehad en de laatste tijd dacht ze vaker in het Duits dan in het Nederlands.

 

In de beurs voor de dagopvang zat maar 5 euro. Meer mocht niet meer, nadat ze pas geleden voor 50 euro lootjes had gekocht van de plaatselijke carnavalsvereniging. Haar dochter was erg kwaad geweest en had gezegd dat ze niet meer met geld kon omgaan. Belachelijk. Ze bepaalde zelf wel wat ze met haar geld deed. Dat had ze haar hele leven al gedaan en het was altijd goed gegaan. Daar had ze echt niemand voor nodig. En al helemaal niet haar dochter.

 

De huishoudgeldbeurs was leeg. Ze moest naar de bank. Maar waar was haar pasje om geld te pinnen? Ze zocht overal. Nergens te vinden. Ze kiepte de tas om en de inhoud viel op tafel. Alles eruit. De tas smeet ze boos op de grond. Ah, daar was haar kam. Die had ze vanochtend nog gezocht. En haar rijbewijspasje. Die hadden ze haar ook afgenomen, haar auto. Maar niét haar rijbewijs! Een hoop bonnetjes. En suikerzakjes en koekjes. Die stopte ze altijd in haar tas op de dagopvang. Voor de kleinkinderen. Wat een rotzooi op die tafel. Waar kwam dat nou toch allemaal vandaan? Dat lag er vanochtend toch nog niet? Ze schoof alles in één beweging in de prullenbak en schuifelde naar de keuken om een boterham te smeren. Ze had honger.

 

Fien opende de koelkast waar de keukenhanddoeken netjes in stapeltjes gevouwen op de plankjes lagen. In het koelvakje van de deur zag ze een gesmeerde boterham in plasticfolie. Hoe kwam die nou daar? Nu hoefde ze in ieder geval geen mes, boter en beleg te zoeken. Langzaam peuterde ze de folie van het brood, streek die vervolgens glad, vouwde er een mooi vierkantje van en legde het in de diepvries. Naast de post van deze week. Ze nam een eerste hap. Er zat iets hards tussen de dubbelgevouwen boterham, die wat groene puntjes vertoonde: het bankpasje. Nou, dat had ze dus ook weer mooi gevonden. Zie je wel, zo kwam alles toch altijd weer goed.

Ze trok haar winterjas aan, liep voorzichtig naar de voordeur en pakte haar rollator. God wat haatte ze dat ding. Maar ze moest wel wilde ze niet vallen. Ook daar had ze al vaak ruzie met haar dochter over gehad. Ze moést en moest van alles. Dat ze haar toch met rust lieten. Steeds die bemoeizucht. Ze werd er gek van. Rollator naar buiten manoeuvreren en de voordeur afsluiten, dat was het volgende. Dat ze maar niet dachten dat ze niet meer zelfstandig kon wonen, het ging allemaal nog best. De sleutel bleef achter in het slot en ze liep de straat op. Op zoek naar de bank. Waar was die nou ook alweer? Ach ja daar aan de overkant. Daar stond het, in grote letters: Rabobank. Ze kon er zo heen lopen, geen probleem. Zie je, de auto’'s stopten voor haar. Oversteken en naar de pinautomaat, de pinautomaat, dat ding in de muur, daar zo. Daar was hij.

In haar beurs bewaarde ze een klein briefje waar de pincode op geschreven stond. Dat had haar dochter voor haar gedaan. Het ging niet meer anders, had ze gezegd. Hoe gevaarlijk het ook was. Onzin. Ze pakte het briefje en duwde het in de automaat. Er gebeurde niets. Zo was het toch goed? Hoe kon dat nou? Ach nee, ze deed het fout. Het pásje moest in die gleuf. Gelukkig had ze dat in haar jaszak gestopt. Dat wist ze nog wel. Vroeger was het wel allemaal een stuk gemakkelijker geweest. Dan ging ze gewoon naar de balie met haar pasje en dan kon ze geld vragen. Dat ging tegenwoordig niet meer. Niemand had meer tijd. De bank was gesloten. Met 50 euro kon ze wel weer even vooruit, dat was meer dan genoeg. Langzaam duwde ze de knopjes in en wachtte. Waar kwam dat geld nu toch weer uit? Och ja, daar beneden. 550 euro. Daar kon ze wel even mee vooruit. Ze zou haar kleinkinderen wel wat geven. Ze opende haar tas en vond alleen maar de beurs van de dagopvang. Daar stopte ze alles in.

 

Ze meende op de kalender in de keuken gezien te hebben dat morgen een fancy fair was. Dat vond ze leuk, deed ze vroeger ook altijd aan mee. Dan haakte ze roze en groene pannenlappen om te verkopen. Misschien kon ze er nu zelf wel een paar kopen dan. Ze verbrandde zich wel eens aan een hete pan. En lootjes kon ze dan ook kopen. Of was het al geweest? Vandaag was het toch dinsdag?

Of was het zaterdag?

 

Weer terug naar de overkant. Waar was haar sleutel nou toch weer? Die had ze net toch nog gehad? Nergens te vinden, niet in de tas, niet in haar jaszak. Ze ging op de rollator zitten, opende haar beurs en ging het geld nog maar eens natellen. 550 euro. Dat was een boel geld. Moest ze voorzichtig mee zijn. Ze zou het dadelijk maar onder de matras leggen. Dat leek haar veiliger. Het was wel koud zo. Koude vingers. Straks zou wel iemand langs komen om de deur voor haar open te maken. Dat kwam wel goed. Ze wachtte wel. Ze wachtte wel. Misschien zou haar moeder zo thuis komen en de deur open maken. Ja, zo zou het gaan.

Ze was veilig hier.

 

 

 

© 2014 Marga van Donselaar

 

Auteur

Marga van Donselaar (1958)