Adieu - Marc van der Hijden

Adieu

Frankrijk, 23 december 2014

 

Ik beklim de heuvel van de plaatselijke begraafplaats met lichte tegenzin, zoals ik dat meestal heb wanneer er iemand begraven wordt. 'Hoort bij het leven' zeggen ze, je droeve plicht vervullen door iemand naar zijn laatste rustplaats te begeleiden.

 

Het is mooi weer: de zon glooit op deze decembermiddag over het heuvellandschap. Ik bezoek graag oude begraafplaatsen omdat ze een verzamelplek van volkscultuur zijn. In de serene stilte vertellen de zerken hun verhaal. Toch had ik de begraafplaats van ons eigen Franse dorp nog nooit bezocht. Wanneer ik van boven naar beneden kijk ontwaar ik een perspectief dat ik niet eerder zag. Bij mooi weer ga ik er zeker terug, maar dan met camera. Ik kom nu bijna 10 jaar in dit dorp. Met tussenpozen ben ik een van de vaste bewoners. Dat zijn er verder niet zo veel. Ik doe mijn best om er een beetje bij te horen en laat daarom mijn gezicht zien wanneer er in het dorp een van de, overigens zeer schaarse, activiteiten plaatsvindt. Respect tonen vind ik dat: met de bevolking mee leven.

 

Bijvoorbeeld bij de jaarlijkse dodenherdenkingop 8 mei, waar alle namen worden voorgelezen van de dorpelingen die in de eerste of tweede wereldoorlog hun leven gaven voor het vaderland. 'Mort pour la France', klinkt het plechtig na iedere naam. Maar dat zijn er niet zo heel veel: de gemeente bestaat uit ongeveer 550 zielen en gelet op de gemiddelde leeftijd, zullen dat er op het moment dat ik dit opschrijf wellicht alweer wat minder zijn. Voorafgaand aan de plechtige herdenking bij 'het monument', is er een mis in de dorpskerk, waar de uitwerpselen van de ratten en de muizen op de banken liggen, maar dat schijnt niemand te deren, met het kerkboek worden ze gewoon even opzij geschoven. Zo'n twintig mensen bezoeken deze heilige mis, opgedragen door de plattelandspastoor, voor wie dit een van zijn 35 parochies is. De muziek wordt verzorgd door een gammele geluidsinstallatie, maar wel mét CD speler.

Daarna, bij het monument, is het al wat drukker en geven een aantal schoolkinderen, onder leiding van de juf, acte de présence met een bosje bloemen. Neus-peuterend luisteren ze naar het oplezen van de namen. De bloemen worden, nog in de folie, met eerbied bij het monument gelegd. Dan trekt het gezelschap in een plechtige stoet, de Franse vlag, ‘le drapeau tricolore’, voorop, in de richting van ‘la Mairie’ (het gemeentehuis) en zijn er ineens heel veel deelnemers. Op kosten van 'la commune’ wordt daar het glas geheven op de gevallenen: erewijn, 'vin d'honneur'. Een eerbetoon aan hen die vielen voor onze vrijheid. Op de tafels staan plastic bakjes met nootjes en chips. Zodra de jerrycans met witte wijn geleegd zijn is de plechtigheid ten einde.

 

Ons dorp. Sommige huizen lijken leeg, maar blijken niet verklaarbaar bewoond, andere staan geleidelijk te verpauperen. Niemand die zich erom bekommert. Zo ook het huisje van mijn buurman. Een klein boerenhuisje, nog te klein om het fermette te noemen, ontbrekende dakpannen, een scheur in de zijgevel. Er is een tuintje bij dat overwoekerd wordt door aangewaaid onkruid. De achtergevel is dicht, de tuin was in vroeger tijden echt niet interessant. Aan de voorkant is een keldertrap. Aan de verweerde eikenhouten kelderdeur hangt een vergeten schoenlepel. In de gevel zit één raam met, de in Frankrijk onmisbare luiken stijf gesloten. Bij de voordeur is een glazen halletje, met plastic golfplaten dak, tegen de ergste winterkou. Een van de ruiten is gebarsten en ooit gelijmd met een stuk vensterglas en siliconenkit. Monsieur 'Lulu' werd hij genoemd, de eenzame buurman, een afkorting van Lucien. Wat hem precies mankeerde weet ik niet, maar hij kon niet meer lopen. Zijn laatste levensjaren heeft hij gesleten in een stoel met een rond gat erin, zodat zijn uitwerpselen direct in een ondergeschoven emmer vielen. Elke dag werd die emmer door iemand van de thuiszorg in de struiken leeg gekiept. In het begin vlak naast ons tuintje, maar toen de thuiszorgmedewerker in de gaten had dat wij er regelmatig vertoefden, werden de uitwerpselen discreet, maar met een grote zwaai, aan de overkant van de straat gedeponeerd. De restjes toiletpapier kleefden aan het lange gras. De hele dag zat Lulu naar buiten te staren, hij was alleen. In zijn bestaan als hardwerkende boerenknecht was het hem nooit gelukt een vrouw voor hem te interesseren. Familie had hij niet, wel een verre nicht, die de eigenaresse bleek te zijn van zijn huisje. Zijn uitzicht bleef beperkt tot een aantal balen stro, die in een loods aan de overkant lagen opgestapeld. Het weggetje loopt dood, al staat dat niet aangegeven bij het kruispunt. Verkeer zag Lulu daarom nauwelijks, hooguit af en toe de tractor van de boer, of een verdwaalde automobilist die zich had vergist en keerde voor zijn raam. Ontelbare dagen moet hij daar hebben zitten staren, met verder niets. De proviand die aangesleept werd door de thuiszorg en een enkele dorpsbewoner, lag in een grote houten hutkoffer (een grote kist met gebogen deksel) binnen zijn handbereik. De kachel stond vlak naast hem, met ernaast een stapeltje brandhout. Vanuit zijn stoel kon hij het allemaal bereiken. Ook had hij een lange lat, om in de zomer het raam te kunnen bedienen. Op zijn schoot lag een oude versleten theedoek, om zijn edele delen te verbergen. Af en toe verdween zijn hand daaronder, om eens even links of rechts te krabben. Gelukkig gaf hij nooit een hand wanneer er iemand binnenkwam, dat wilde hij zelf ook niet, hij schaamde zich voor zijn toestand. Toch was hij blij wanneer wij in het dorp waren, dat betekende immers twee of drie keer per dag verkeer langs zijn raam. Maar meestal zat Lulu met zijn hoofd voorovergebogen, overvallen door zijn eindeloze vermoeidheid. Regelmatig nam ik het grasveldje voor zijn huisje mee, wanneer ik toch aan het maaien was. Vanuit zijn poepstoel riep hij mij dan toe zo hard hij kon: 'Merci, merci!' Hij leek echt dankbaar, al kon hij zelf zijn gras niet zien. De sluiting van het raamluik werkte niet goed en toen ik dat, onaangekondigd, wilde repareren raakte hij helemaal in paniek. Hij hoorde het luik rammelen en dacht dat ik het ging sluiten: 'Non, non, non!' schreeuwde hij. Ooit heb ik hem een pakje zachte wafels gebracht, met rozijnen en sukade, gebakken door mijn schoonmoeder. Toen ik ze bij hem binnenbracht glunderde hij van oor tot oor waarbij zijn twee resterende tanden zichtbaar werden. Een week later lag het pakje wafels nog op tafel, onaangeroerd. Hij genoot waarschijnlijk meer van het beetje aandacht dan van deze lekkernij. En voor de rest was er het raam: zijn venster op de wereld. 'Zullen we een bloempot met een bloemetje bij zijn raam zetten?' Opperde ik eens bij mijn echtgenote. 'Nou, met niemand die het verzorgt groeit zijn raam dadelijk ook nog dicht' zei ze. Oké, slecht plan. Een trouwe buurman sleepte hem iedere avond naar zijn bed, dat een paar meter verder stond, deed het luik voor zijn raam dicht en dat was het dan: weer een dag voorbij met... niks. Zijn hele leven lang was Lulu in dienst van de boer geweest, hij kende de omgeving, maar ook niet meer dan dat. Een stad heeft hij nooit gezien, laat staan de zee. Het was diezelfde buurman die hem op een grauwe ochtend in de maand mei wakker wilde maken en bemerkte dat hij ons verlaten had. Stilletjes overleden in zijn slaap, weg, adieu Lulu. De buurman en een andere aanwezige dorpsgenoot gingen snel naar huis om een 'net pak' aan te trekken, zodat ze waardig afscheid konden nemen wanneer de begrafenisondernemer Lulu zou komen ophalen. Toen ze terugkeerden bij het huisje was dat al gesloten, Lulu was ingeladen en weg, niemand heeft het gezien, niemand weet waarheen... De zorgzame buurman krijgt, ook nu nog, de tranen in zijn ogen als hij erover vertelt, hij weet niet eens waar Lulu begraven werd. Het luik voor het raam is voor altijd gesloten. In het portaaltje bij de voordeur ligt een paar oude pantoffels op de vensterbank, hij zal ze jaren niet gedragen hebben, en een plastic waterfles, de stille getuigen van een bewoner die verdwenen is. Er is nooit meer iemand geweest. Het zal best te koop staan, maar het transformeert langzaam tot een krot. Weinig waarde zal het sowieso hebben en ik heb van iemand gehoord dat er teveel erfgenamen zijn om het eens te worden over een verkoopprijs. Zo kwijnt het huisje, in navolging van zijn bewoner, langzaam weg. Eenzaamheid bestaat.

 

Hoe anders was het met monsieur Pierre, die door iedereen 'Pierrot' werd genoemd. Hij was een echte Fransman, petje op, geruite blouse en altijd een gebreid bordeauxrood vestje aan, zomer en winter. Daaroverheen droeg hij een blauwe stofjas, die hij alleen op zon- en feestdagen uit liet. Pierrot had een sociaal leven, hij maakte met iedereen een praatje het hele dorp wist wie hij was. Wanneer je achter hem in de rij stond bij de bakker had je pech, hij moest eerst zijn verhaal afmaken. Tot hij ver in de tachtig was heeft hij in het dorp gewoond, in een huisje met een bordes voor de deur. Zijn vrouw was overleden en hij woonde er samen met zijn enige zoon, een vijftigplusser die niet zoveel om handen heeft. Het huisje ligt op de enige kruising midden in het gehucht en Pierrot was daarmee letterlijk en figuurlijk het middelpunt van het dorp. Vanuit zijn woonkamer kon hij de beide straten overzien en hij beheerde voor diverse dorpsbewoners het goed, wanneer ze er niet waren. Hij was zo ongeveer de bewaker van het dorp. Ook hielp Pierrot de plaatselijke groentekweker die direct vanaf het veld zijn handel dreef. Met zijn oude rode Skoda Fabia bracht hij de verse groente naar verschillende adresjes in de buurt. In droge tijden zorgde hij voor de bewatering van de kwekerij en 's avonds sloot hij de plastic kassen met een hangslot, alsof het een ondoordringbare vesting was. Pierrot leek altijd goedgemutst en genoot van de mensen om hem heen. Als er een feestje was zat hij als eerste aan tafel en liet zich het eten en de wijn goed smaken, hij genoot er zichtbaar van. Zijn gezicht stond altijd op vriendelijk. Speciale aandacht had hij voor de vrouwen en die konden zijn charmante aandacht wel waarderen. Pierrot was door iedereen geliefd in het dorp. Ik ben een paar keer bij hem binnen geweest en dat ging altijd gepaard met een limonadeglas vol ondefinieerbare witte wijn. Er zat in ieder geval een behoorlijk percentage alcohol in, dat rook ik al bij binnenkomst. Als was het een bewegende schemerlamp, de ruim over-bemeten televisie stond er altijd aan. Ik herinner mij hoe hij samen met zijn zoon zat te smullen van zelf geslachte duiven: met een grote theedoek om zijn hals zat hij te kluiven, het vet droop langs zijn kin, maar het smaakte hem, dat kon je zien. Wanneer je iets nodig had dan wist Pierrot altijd raad. Hij kende iedereen in de buurt en wist voor elk klusje bij wie je moest zijn. Zo bracht hij mij eens bij monsieur Paul, die verstand had van het snoeien van bomen. Hij begroette hem met: 'Bonjour mon Paul' waarbij 'Paul' werd uitgesproken als 'Pool'. Aandoenlijk vriendschappelijk was dat, zo was Pierrot. De laatste jaren van zijn leven heeft Pierrot moeten slijten in een 'maison de retraite' op 20 kilometer afstand van zijn dorp. Zijn gezondheid ging achteruit en zijn thuiswonende zoon kon niet voor hem zorgen. Die heeft slechts drie bezigheden: postzegels verzamelen, Gitanes en alcohol, heel veel alcohol. Daar vult hij zijn dagen mee. Het uur van de dag maakt daarbij niet uit, wanneer je hem ook begroet, je komt niet te dichtbij, de kegel houdt je vanzelf op een afstand. Toen zijn vader nog thuis woonde mocht hij in huis niet zijn Gitanes roken en was hij de enige gebruiker van het bordes. De peuken schoot hij dan de straat op. Op de kruising lag een hele verzameling.

 

Ondanks de populariteit van Pierrot, brengen we hem vandaag met slechts een handjevol plaatsgenoten naar zijn laatste rustplaats. 'Er zal geen rouwbrief verstuurd zijn' denk ik nog. Misschien doen ze dat hier niet en vinden ze doodgaan heel gewoon, en dat is het natuurlijk ook een beetje: doodgewoon. Geen kerk, geen priester, daar geloofde Pierrot niet meer in, daar had hij teveel voor meegemaakt. 92 Jaar is hij uiteindelijk geworden. Van de aanwezige dames en heren ken ik er een paar, vandaag lijken hun gezichten nog treuriger dan anders. Er worden handen geschud en er wordt gekust. Zijn zoon komt als laatste, tergend langzaam, de helling van de begraafplaats op geslenterd. Deze lichamelijke inspanning kost hem zichtbaar moeite. Naast zijn slechte leefgewoonte lijdt hij ook nog eens aan keelkanker. Monsieur Pierre, zoals Pierrot zelf eigenlijk liever werd genoemd, wordt bijgezet in de tombe van zijn overleden echtgenote. Hij wordt gebracht in een glanzend grijs metalliek Mercedes busje, waar mannen in groene jasjes met zwarte revers, hem plechtig uitdragen. Zijn kist is van puur eikenhout en dat maakt hem zichtbaar zwaar. Een tuintafeltje wordt uitgeklapt om het condoleanceregister op open te vouwen. Er hangt een prijskaartje aan het tafeltje, dat vrolijk wappert in de wind. Ieder die dat wil mag iets in het register schrijven, zelfs aan de balpen is gedacht, een laatste groet die waarschijnlijk nooit gelezen wordt. De burgemeester van het dorp blijkt, naast taxichauffeur, ook begrafenisondernemer te zijn en leest ten afscheid wat, voor mij, onduidelijke dingen voor. De grafsteen met de naam van Pierrot's echtgenote is blijven staan, daarom moet de kist schuin naar bededen gelaten worden. Je vraagt je af wat er op dat moment in die kist gebeurt. Zachtjes klinkt het 'toek'. Zou Pierrot een laatste keer zijn hoofd stoten? De naaste familie bestaat, naast de zoon nog uit twee personen, een zwager en diens echtgenote, die krijgen alle drie een roos en mogen die op de neergelaten kist werpen. De aanwezigen mogen afscheid nemen door een handje bloemen uit een mandje te pakken en te verspreiden over de kist in de diepte. De zoon schuifelt met zijn door alcohol en ziekte verzwakte lijf, naar de rand van het graf. Oei, even lijkt hij voorover te wankelen.. maar een buurvrouw schiet hem te hulp. De plechtigheid is ten einde. De aanwezigen mompelen nog wat naar elkaar en dan gaat iedereen zijns weegs. Adieu Pierre!

 

De zoon leeft nu verder maar zit volledig aan de grond, ziek en zwak. Het pensioen van zijn vader was zo ongeveer zijn enige bron van inkomsten. Een nieuwe eenzaamheid ontstaat. ‘Het is hard, maar zo is het leven’, een uitspraak die ik geleerd heb van Pierrot zelf: ‘C’est dur, mais c'est la vie’.

 

 

 

© 2014, Marc van der Hijden

 

Auteur

Marc van der Hijden

 

Over eenzaamheid en verpaupering op het Franse platteland.

'Pierrot'

Monsieur Pierre