Mijn onze vader - Harrie Bielders

Mijn onze vader

1.

 

Mijn vader stierf op zondag 16 oktober 2005 om 21.15 uur in het hospice van het Zorgcentrum St. Odilia in Geleen. Eigenlijk moet ik zeggen ‘onze vader’ want hij was tevens de vader van nog acht kinderen, drie broers en vijf zussen. Ik schreef ‘mijn vader’ omdat ‘onze vader’ meteen associaties bij me oproept met ‘Het Onze Vader’, het gebed dat we van jongs af aan hebben geleerd en dat ik de laatste tijd af en toe weer bid als ik in een kerk kom. Sinds mijn vaders dood heeft Het Onze Vader, dat begint met ‘Onze Vader die in de hemel zijt’, een andere betekenis gekregen, want voor mij is mijn, onze vader echt daarboven in wat we met hemel aanduiden. Ik praat regelmatig met hem, vraag hem om hulp en hij antwoordt vaak op zijn bekende woordeloze manier, zoals we die van hem kenden gedurende de laatste jaren van zijn leven, bijna monddood door de verschillende herseninfarcten maar des te meer communicerend via gebaren, gezichtsuitdrukkingen die zijn ware emoties lieten zien, die hij heel zijn leven lang zo moeilijk in woorden kon uitdrukken.

Het is heel wonderlijk dat hij zo dichtbij voelt en ik zo veel vrede voel als ik aan hem denk, terwijl wij, hij en ik, zeer lange tijd zo ver van elkaar hebben afgestaan. Er zijn herinneringen aan momenten en gebeurtenissen die de sfeer van mijn gedachten en gevoelens over mijn vader weergeven zoals die er lange tijd was, een vat vol tegenstellingen, van begrip en niet kunnen begrijpen, van acceptatie en niet kunnen accepteren.

Een van die gebeurtenissen vond plaats op 25 augustus 2005 tijdens een Boeddhistische retraite in Hongarije. Boeddhisten schenken in hun rituelen veel aandacht aan de verbondenheid met het verleden en met de voorouders. Iedereen staat in de lijn van de geschiedenis en van zijn voorouders en heeft daarin zijn basis. Je ontwikkelt je in het verlengde van het verleden. Als voorbereiding op het voorouderritueel waarin de verbondenheid met de voorouders wordt uitgedrukt, werd aan de deelnemers gevraagd een brief te schrijven aan een voorouder om deze verbondenheid tot uitdrukking te brengen. Ik wist meteen aan wie ik de brief zou schrijven en wel aan mijn oma Mária Bielders-Speetjens, de moeder van mijn vader. Ik heb haar nooit gekend, want ze is gestorven toen mijn vader negen jaar oud was. Maar doordat neef Leo Bielders recent uitgebreid onderzoek had gedaan naar de voorouders van onze ouders, was oma Mária in mijn aandacht gekomen.

Zittend in de grote, stille meditatieruimte van het retraitecentrum waarvan de ramen uitkeken over het golvende landschap, schreef ik het volgende:

 

Beste Oma Mária,

 

U kent mij niet. Ik ben een van uw 21 kleinkinderen en een van de negen kinderen van uw zoon Sjeng die is getrouwd met Marieke Brouns uit Klimmem-Ransdaal. Ik ken u alleen van foto’s en uit de zeer spaarzame verhalen. Mijn moeder heeft u niet gekend en mijn vader is zwijgzaam over zijn verleden. Een zoon van uw zoon Jeu heeft onderzoek gedaan naar het geslacht Bielders. In dit kader heeft hij ook met mijn vader gepraat. Deze is op hoge leeftijd, bijna negentig, en heeft een aantal herseninfarcten gehad, waardoor hij zich niet alles meer kan herinneren. Het was een moeilijk gesprek voor hem, ik denk vooral emotioneel. Hij wil op de een of andere manier niet graag met het vroege verleden geconfronteerd worden.

U overleed toen hij negen jaar oud was. Dat lijkt me verschrikkelijk om op zo jonge leeftijd je moeder te moeten verliezen. Zijn vader, uw man Louis Bielders, heeft zich uw dood, naar horen vertellen, erg aangetrokken en men zegt dat hij vanaf dat moment een sombere man was. Hij is gestorven toen mijn vader zeventien jaar oud was. Ik heb het gevoel dat door uw dood de puberteit van mijn vader niet erg vrolijk was. Tante Tonia, die vanaf uw dood het huishouden deed, was volgens mij gelukkig wel een vrolijke aanwezigheid. Ze leeft nog en is mijn vader dierbaar.

Uw zoon Sjeng, mijn vader, is voor de zijnen een stugge en strenge man. Naar anderen is hij veel opgewekter. Ik heb verschrikkelijk met mijn vader gevochten. Ik ben altijd allergisch geweest voor macht en die oefende hij uit. Vaders wil was en is wet, ook voor mijn moeder. Mijn moeder is een zachtaardige vrouw. Ook zij was soms heel opstandig tegen mijn vader, maar uitte dat zelden. En als ze het al deed, verontschuldigde ze zich daarna hiervoor. Omdat ik een hechte band had met mijn moeder, deed het overheersende karakter van mijn vader extra pijn.

Toen ik rond mij 22ste weer thuis ging wonen na tien jaar seminarie- en kloostertijd, werd de situatie onhoudbaar. Hij stond willekeurig dingen dan wel en dan niet toe en duldde geen tegenspraak, van niemand. Het antwoord op een’ Waarom?’ was doorgaans ‘Daarom!’.

Op mijn 24ste ben ik letterlijk het huis uitgelopen, heb de fiets gepakt en ben weggereden, na eerst mijn spulletjes te hebben laten ophalen. Ik heb dit gedaan toen hij niet thuis was. Mijn broers en zussen waren er wel, het was blijkbaar vakantie.

Het weglopen van mij was voor hem en alle anderen een zeer ingrijpende gebeurtenis. Iemand had hem weerstaan. Het heeft meer dan 25 jaar geduurd voordat hij mij in zijn nabijheid kon verdragen.

 

Toen ik dit zonet opschreef, heb ik verschrikkelijk moeten huilen. Met mijn verstand en in de vaart van het leven heb ik er altijd mee kunnen leven. Diep in me dus blijkbaar niet.

Woordeloze verbanden gaan door mijn hoofd tussen dit alles en wat hij meemaakte toen hij u verloor.

Ik kijk vanuit Hongarije, door de ramen van de Zenzolder over de heuvels naar het bejaardenhuis waar hij leeft, nog steeds samen met mijn moeder, 65 jaar getrouwd. Hij is machteloos geworden en wordt steeds onmachtiger omdat ook woorden hem in de steek laten.

Ik houd van hem als vader, als man ervaar ik hem nog steeds als een tiran. Ik voel mededogen en vaak, ook nu, echte woede om zijn macht waarmee hij velen om zich heen heeft gekleineerd en daarvoor zijn we hier niet op aarde. We zijn om groot te worden, te groeien.

Help me om hieraan een bijdrage te mogen leveren.

 

Liefs van uw kleinzoon Harrie

Het overtikken van deze brief brengt weer een golf van emoties bij me teweeg, zoals nog zo vaak als het over mijn vader gaat, maar ze voelen warm, zoals mijn tranen.

 

2.

 

Mijn vader werd geboren op 31 oktober 1915 in Houthem St. Gerlach als zoon van Louis Bielders en Mária Bielders-Speetjens. Ze noemden hem Sjeng, de Limburgse naam voor Jan.

Zijn vader was toen al 48 en zijn moeder 45. Zijn moeder was de tweede vrouw van zijn vader. De eerste stierf in 1902 op 29 jarige leeftijd aan een zware longontsteking, in hetzelfde jaar als ze getrouwd waren. Na enkele jaren leerde zijn vader Mária Speetjens kennen waarmee hij in 1905 trouwde en die toen 36 jaar oud was. Vóór mijn vader kregen ze nog twee zonen, Harie in 1906 en Jeu in 1908. In 1912 namen ze tevens de zorg op zich van het pasgeboren meisje Tonia, de dochter van een broer van zijn moeder, van wie de vrouw in het kraambed was gestorven.

Mijn neef Leo Bielders omschrijft na zijn uitgebreid onderzoek naar het geslacht Bielders de vader en moeder van mijn vader op het moment dat ze elkaar ontmoetten als twee gekwetste zielen. Híj had zijn eerste vrouw verloren meteen na hun huwelijk en zíj was na een vrij lange verkering abrupt in de steek gelaten door een Houthemse jongen.

 

De verhalen over hun huwelijk ademen een sfeer van gemoedelijkheid en van plezier tussen de kinderen, maar ook van een druk leven. De vader van mijn vader had in zijn jonge jaren als schrijnwerker gewerkt in de timmerwerkplaats van Sjeng Brouns in Houthem. Toen hij zijn tweede vrouw Mária had leren kennen, vond hij dat hij als vakman meer kon bereiken door voor zichzelf te beginnen. Hij kocht een stuk grond en bouwde er een huis met een kleine timmerwerkplaats op. Over werk had hij niet te klagen. Mijn neef Leo schrijft hierover het volgende:

 

'Houthem was met al zijn landgoederen en herenboerderijen een relatief welvarend dorp, waar niet beknibbeld werd op het onderhoud van bezittingen. In 1921 kon hij als eerste in de omtrek een elektrische houtbewerkingmachine aanschaffen, waarmee hij kon schaven, zagen, boren, lijsten maken en slijpen. Het was een hele investering, maar Louis keek vooruit en zag er de praktische voordelen van in. Een timmerman maakte in die dagen van alles: karren, ploegen, tonnen, stoelen, kasten, kozijnen, deuren, zelfs doodskisten. En als er gordijnen opgehangen of ramen geschilderd moesten worden, deed hij dat ook. In die dagen was de klant nog echt koning.' - De familie Bielders in Houthem, Leo Bielders 2004.

 

Negentien jaar na hun huwelijk sloeg het noodlot weer toe. De moeder van mijn vader had een zwakke gezondheid en was vaak ziek. Begin 1925 werd ze opgenomen in het ziekenhuis in Heerlen voor een maagoperatie. Kort daarna overleed ze op 55-jarige leeftijd. Ze liet een gezin achter met vier kinderen: zoon Harie van achttien, zoon Jeu van zestien, de aangenomen dochter Tonia van bijna dertien en zoon Sjeng, mijn vader, van negen jaar. De aangenomen dochter Tonia, die toen op één dag na dertien was, nam het grootste deel van de huishoudelijke taken in het gezin op zich, wat voor zo’n jong meisje geen makkelijke opgave moet zijn geweest.

 

De vader van mijn vader had dus twee vrouwen verloren. Bij het overlijden van zijn tweede vrouw was hij 57 jaar oud. Het is dan ook niet verwonderlijk dat dit hem tekende en hij, zoals wordt verteld, de laatste jaren van zijn leven als een bedrukte man door het leven ging. Hij overleed op 17 januari 1933 op 65-jarige leeftijd. Mijn vader was toen zeventien jaar oud.

Uit een briefje dat na zijn dood werd gevonden, bleek dat hij zich zorgen maakte over mijn vader. In het briefje stond onder andere:

 

'Houd vooral een oog op Sjeng. Zorg dat die ook zijn bestemming bereikt en niet van de weg afdwaalt.'

 

Broer Harie werd de voogd van mijn vader totdat hij meerderjarig werd. Toen zijn broer Jeu kort daarna een huis bouwde en trouwde met Emma Brouns, ging mijn vader bij hen inwonen. Op de bruiloft van zijn broer Jeu leerde hij mijn moeder, Marieke Brouns kennen, een zus van Emma Brouns. Zij trouwden op 7 oktober 1939. Mijn vader was toen 24 en mijn moeder 25 jaar oud.

 

Bovenstaande feiten kreeg ik in het voorjaar van 2004 onder ogen, verzameld door mijn neef Leo Bielders. Ik kende wel de belangrijkste feiten, maar toen ik ze als geheel las, voelde ik opeens pas echt de dramatiek eronder, voelde ik het verdriet van mijn opa, de onmacht van mijn oma als gevolg van haar zwakke gezondheid, de verlatenheid van mijn vader toen zijn moeder overleed, de drukte in hun gezinsleven met vier kinderen en een eigen bedrijf, de verlorenheid van mijn vader toen ook zijn vader stierf.

 

In de zomer van datzelfde jaar 2004 ging het slecht met mijn vader, hij wilde niet meer leven.

Door een opeenvolging van kleine en grotere herseninfarcten was zowel zijn lichamelijke als geestelijke mobiliteit sterk afgenomen en lieten de woorden hem steeds meer in de steek. Hij wilde van alles zeggen, maar kon het vaak niet meer. Hij sloeg dan met zijn rechterhand op en neer als fysieke uitdrukking van zijn psychische inspanning om woorden te vinden. En als dat niet lukte, liet hij zijn hand op de stoelleuning zakken en schudde verdrietig zijn hoofd en zei: “Nee”. Als ik aan hem vroeg hoe het met hem ging, zei hij meestal: “Stilletjes”. Hij kon niet meer lezen, geen muziek meer verdragen, niets meer volgen als er meerdere mensen tegelijk praatten en alleen nog schuifelend lopen. Bij het uit- en aankleden, douchen en naar de wc gaan, had hij de hulp nodig van het personeel van het bejaardenhuis. Zelfs eten ging motorisch moeizaam, terwijl dat altijd zijn lust en leven was en lange tijd een van de weinige momenten op een dag waarnaar hij uitkeek. Als hij knoeide tijdens het eten vond hij dat zo erg dat er een traan kwam.

 

Het zien van zoveel onmacht bij zo’n machtige man sloopt langzaam je opstandige gevoelens. Dit en de confrontatie met de dramatische gebeurtenissen uit de jeugd van mijn vader en het ervaren en proberen te accepteren van mijn eigen beperkingen en onvermogen, zetten in die tijd een proces in gang waarin het beeld dat ik van mijn vader had en de gevoelens die daarbij hoorden, langzaam veranderde.

Vaste beelden zijn gemakkelijk, ze staan vast, je hoeft er niet over na te denken. Maar als je gedwongen wordt ze te veranderen, ga je aan jezelf twijfelen, want het zijn jouw beelden die blijkbaar niet kloppen. Ook in de communicatie met anderen levert dat veranderingen op. Je kunt bijvoorbeeld tegen je broers of zussen niet meer gewoon zeggen: “Je weet toch hoe hij is!”, want langzaam sluipt er begrip in voor dit zijn. Het gesprek wordt langer. Achter “Je weet toch hoe hij is!” volgt dan: “Maar ik kan me best voorstellen, gezien zijn jeugd en ……”. Dit doet op zijn beurt de ander twijfelen aan het beeld dat híj heeft en dat je tot dan toe samen deelde, wat weer tot gevolg heeft dat het beeld van de ander over jou een duwtje krijgt. Het kwam dan ook voor dat iemand in zo’n situatie naar me keek met een uitdrukking van ‘Wat is er met Harrie aan de hand?’ Ja, wat was er met mij aan de hand?

 

3.

 

Mijn vader trouwde op 7 oktober 1939 met mijn moeder, Maria Brouns, de jongste uit een gezin met vier kinderen, drie meisjes en een jongen. Ze waren toen respectievelijk 24 en 25 jaar oud. Ze gingen in Sittard wonen omdat mijn vader als machinebankwerker werk had gevonden in een staalconstructiebedrijf in het nabijgelegen Geleen.

Ze stapten vol vertrouwen hun nieuwe toekomst in: mijn vader had een nieuw houvast en warmte gevonden en mijn moeder kon aan een eigen leven beginnen, gevangen als ze zich had gevoeld in het traditionele gezin, waar heel veel moest en weinig mocht. Ook financieel hadden ze goede vooruitzichten. Mijn vader had vast werk en had zijn deel van de erfenis van zijn vader ontvangen. Mijn moeder was opgegroeid in een gezin waar vlijt en zuinigheid hoog in het vaandel stonden.

Een half jaar na hun trouwen brak echter de tweede wereldoorlog uit. In de oorlogsjaren werden er vijf kinderen geboren, elk jaar één, eerst twee meisjes en daarna drie jongens. Ik was het vierde kind en werd geboren in 1943.

In die jaren was er een schaarste aan alles. Luiers en allerlei andere zaken waren moeilijk te krijgen. Levensmiddelen en sommige andere belangrijke dingen, zoals kolen voor de kachel, alleen via bonnen.

Gelukkig ging de hongerwinter aan het gezin voorbij. We werden in het najaar van 1944 bevrijd en hadden het geluk dat er Amerikanen bij ons werden ingekwartierd die in de nabijgelegen legerkeuken werkten. Wel moesten we regelmatig met zijn allen in de kelder slapen omdat er door de Duitsers granaten werden afgeschoten naar het front dat een tijd lang ten noorden van Sittard lag. Van een gezin in de buurt kwamen twee meisjes om door een granaat die op hun huis terechtkwam. Mijn vader had als vluchtweg naar buiten het kelderraam aan de voorkant van het huis vergroot en een verbinding met de kelder van de buren gemaakt.

 

Tot 1950 woonden we in een huis aan de Vouwerweg. Van die periode kan ik me niet veel meer herinneren, alleen bepaalde beelden. Het toilet was buiten, vlak naast de buitendeur aan de achterkant. De deur van het toilet was groen en er was een hartje in als opening. Er was een afdakje boven zodat je niet door de regen hoefde. We hadden kippen in een kippenhok met een ren en een grote moestuin, met daarachter het veld van een boer, waar we gingen ‘zeumeren’, aren lezen, als de boer het koren had gemaaid. Mijn vader had een eigen korenmolen gemaakt. Hij bemestte de tuin met gier uit de gierput, waarvoor hij een emmer met een steel gebruikte.

‘s Zaterdags gingen we in bad. Hiervoor werd in de keuken een grote teil met warm water gevuld. Mijn vader waste ons een voor een en zette ons vervolgens op de keukentafel, waar mijn moeder ons afdroogde, de nagels knipte en aankleedde. Het was lopende bandwerk. Inmiddels was er nog een broertje bijgekomen en telde het gezin zes kinderen. ’s Avonds, voordat we naar bed gingen, stonden we keurig op een rij om de dagelijkse lepel levertraan te krijgen. En vies dat dat spul was! We sliepen met veel kinderen op een kamer en in het weekend werd er ’s morgens vaak aan de andere kant van de muur gewaarschuwd dat we stil moesten zijn. Als straf moest je vaak een bepaalde tijd op je knieën zitten en een keer, toen we het blijkbaar heel bont hadden gemaakt, moesten we naar de zolder, waar je via een luik boven aan de zoldertrap op kon komen. De zolder zag er grijs, stoffig en griezelig uit. Als mijn vader of moeder zei “….., anders ga je naar de zolder!” dan deed je vlug wat ze vroegen.

Op de achterplaats stond een stellage waarop mijn vader een tekenplank kon leggen om technische tekeningen te maken. Daar klommen we op en keken dan stiekem over de muur van de buren. Een keer kregen we een emmer water over ons heen. Die buren waren niet leuk, ze hielden niet van kinderen volgens mijn moeder. Dit was een van de redenen waarom mijn vader in 1949 een stuk grond kocht in de Geldersestraat en er een huis op liet bouwen, vlak bij de kerk in Overhoven en vlak bij de lagere scholen. In het najaar van 1950 verhuisden we. De verhuiswagen werd getrokken door paarden.

Het huis kostte ongeveer 25.000 gulden. Dat was toen heel veel geld. Mijn vader had het geld van de erfenis, maar moest nog veel geld lenen. Hij deed dat bij de slager en bij een leverancier van zuurstof en gas aan het ontgrindingsbedrijf Juliana in Urmond aan de Maas, waar hij inmiddels chef technische dienst was. De slager woonde aan de andere kant van Sittard, waar ze in het begin van hun huwelijk hadden gewoond. We gingen daar, zolang als ik me kan herinneren, het vlees halen, tot in lengte van jaren.

 

Ik ervoer het nieuwe huis als een begin van een nieuwe periode, zowel voor mijn vader en moeder als voor mezelf. Het was het begin van mijn lagere schooltijd in de klas van juffrouw Boumont. In en rondom het nieuwe huis was er veel ruimte en licht. Het huis aan de Vouwerweg was donker en zat aan beide kanten ingeklemd tussen andere huizen. Het nieuwe huis stond helemaal vrij, midden op een nog vrij stuk grond. Achter het perceel lag de wei van boer Nolmans met grote fruitbomen, die in het voorjaar prachtig bloeiden en die ons in de oogsttijd uitdaagden tot allerlei avonturen en kattenkwaad. Aan beide kanten van het huis lagen in de eerste jaren nog braakliggende stukken grond waarop we heerlijk hebben gespeeld. We bouwden forten die werden belegerd door jongens uit de Dorpstraat en groeven kuilen die zo diep waren dat we ze ’s avonds weer moesten dichtgooien omdat mijn vader en moeder bang waren dat ze instortten als wij erin zaten.

Voor mijn vader en moeder was het nieuwe huis niet alleen veel praktischer met zoveel kinderen, maar ook, denk ik, een verwezenlijking van een droom die ze voor de oorlog hadden. Het waren in letterlijke en figuurlijke zin geen mensen voor een rijtjeshuis. Aan het harde werken dat ze heel hun leven hebben gedaan, lagen veel dromen en hoge ambities ten grondslag.

 

In het begin stond het huis letterlijk midden in de modder. Er waren nog geen paden, er lagen alleen steigerplanken waar je overheen kon lopen. Ik herinner me nog dat mijn moeder ons vroeg een paar planken naar en onder de waslijnen te leggen en dat we toen in de modder uitgleden en straf kregen omdat we helemaal vuil waren. De moderne wasmachines waren er nog niet. De wasmachine bestond uit een houten kuip met in het midden een mechanisme met vier houten stokken die ronddraaiden waardoor de was door het waswater bewoog en zo schoon moest worden. Oorspronkelijk moest je daarvoor aan een wiel draaien, maar mijn vader had er een elektrische motor onder gemaakt. Die motor gebruikte hij ook voor het aandrijven van een cirkelzaag die hij had gemonteerd op het onderstel van een oude naaimachine en die gebruikt werd om het hout voor de kachels te zagen.

Een keer in de veertien dagen werd de grote was gedaan. Dat betekende dat de was zondagmiddag in de keuken in een grote ketel werd gedaan en in water met zeep werd gekookt op een grote gaspit. De ketel met sop en was werd maandagmorgen in de wasmachine, die in ‘de stal’ achter het huis stond, gedaan en ‘gedraaid’. Daarna werd de gedraaide was in een grote zinken teil gedaan en in schoon water gespoeld. Als we rond twaalf uur thuis kwamen van school moesten we de wringer draaien waarmee het water uit de was werd geperst. En als het ’s winters vroor, moest je uitkijken dat je niet uitgleed op de vloer die dan vaak spekglad was door het bevroren water. Daarna kon mijn moeder de was ophangen om te drogen of op het gras leggen om te bleken. Als het regende werd de was op zolder gehangen. De hele maandag was ermee gevuld en dan moest alles nog gestreken worden. Toen de eerste automatische wasmachines op de markt kwamen, kocht mijn vader er een.

 

Mijn vader had niet alleen grote maar ook gouden handen. Het modderland veranderde binnen afzienbare tijd in een bloementuin aan de voorkant, met paden van witte kiezels (parelgrind), in een speelgedeelte direct achter het huis met twee schommels en een rek om de matten te kloppen, een zandbak en een terras van betontegels. Achter ‘de stal’ waarin mijn moeder de was deed en de fietsen en het tuin- en ander gereedschap stonden, kwam gras voor het bleken van de was en een moestuin met fruitbomen. De kolen werden opgeslagen in het kolenhok dat afgescheiden was van ‘de stal’.

Het hele perceel werd aan de voorkant omheind met een prachtig hek dat regelmatig met zilverbrons werd geverfd. Alles maakte en deed hijzelf, inclusief de vlaggenmast in de voortuin die mensen zo mooi vonden dat er in Sittard nog een aantal van die vlaggenmasten is komen te staan.

Het was natuurlijk noodzakelijk en voor mijn vader en moeder vanzelfsprekend dat wij zoveel mogelijk meewerkten. Het onderhouden van de tuin, het teren van de gaasafrastering, het poetsen van de schoenen, het harken van de kiezel, het wassen van de auto, het vangen van de coloradokevers op de aardappels, het plukken van bonen, het uitsteken van het onkruid in het gras, het stapelen van het hout op de zolder voor de kachels, het ontpitten van kersen en pruimen voor de inmaak, het schillen van de aardappels (als je woensdagbeurt had, had je pech want dan maakte mijn moeder friet en moest er een hele emmer aardappels geschild worden) en het doen van boodschappen waren enkele van de vele taken die keurig onder de kinderen werden verdeeld en gecontroleerd. Het kwam vaak voor dat de schoenen opnieuw moesten worden gepoetst, dat de kiezel opnieuw moest worden geharkt omdat er kuilen inzaten, of de tuin nog eens moest worden overgedaan omdat er nog onkruid stond of de grond niet netjes was opgeharkt.

Alles zag er altijd netjes uit, vooral zaterdagmiddag, voordat iedereen in bad ging en het weekend officieel begon. Als de mensen zondagmorgen naar de kerk gingen, die op ongeveer twee honderd meter afstand van ons huis lag, kwamen ze langs ons huis en dan moest alles er netjes uitzien. Mensen letten er trouwens ook echt op.

En zoals het met de tuin was, zo was het met alles, ook met onze kleren. Voordat we naar school of de kerk gingen of gingen wandelen met zijn allen, werd erop gelet dat we netjes aangekleed waren. Het was de trots van mijn moeder dat de mensen zeiden dat die van Bielders er altijd netjes bij liepen en zich vol bewondering afvroegen hoe ze dat toch deed met zoveel kinderen.

 

In de jaren nadat we verhuisd waren naar het nieuwe huis kwamen er nog drie kinderen bij, drie meisjes. En als mijn moeder geen miskraam had gehad, zou het aantal kinderen gegroeid zijn tot tien. Mijn vader en moeder hebben er niet vrijwillig voor gekozen. De kinderen kwamen gewoon, het overkwam hen. Mijn moeder heeft vaak gepraat over hoe zwaar het haar viel om van de ene zwangerschap in de andere te vallen, vooral tijdens de oorlog waarin belangrijke zaken niet of nauwelijks te krijgen waren en in een tijd waarin allerlei huishoudelijke apparatuur, die nu ons huishoudelijk werk vergemakkelijken, er nog niet was. De laatste bevalling was zo zwaar dat ze dacht dat ze zou sterven.

Als mijn moeder hierover voor de zoveelste keer vertelde, kwam er een golf van woede in me op, woede over de katholieke kerk die mensen geen ruimte liet voor periodieke onthouding of welke andere voorbehoedsmiddelen dan ook, woede over de priesters die mijn moeder weigerden toestemming te geven om in de vastentijd niet te hoeven vasten tijdens haar zoveelste zwangerschap temidden van een groot aantal kleine kinderen, woede over de priesters die bij gezinnen aanbelden waar langere tijden geen kind meer was geboren om hen vermanend toe te spreken, woede over het totale patriarchale, beklemmende normstelsel dat ze niet alleen over mijn ouders, maar ook over ons rijkelijk en dwingend uitstrooiden alsof het zegeningen waren, waardoor mijn moeder zich voortdurend zondig voelde en alleen maar direct na het biechten ter communie durfde te gaan omdat ze bijna elke gedachte of daad die niet vol liefde was als een doodzonde beschouwde. Voor ‘wat vind jij’ was totaal geen ruimte. Alles werd van bovenaf bepaald. En mijn vader en moeder konden ten opzichte van hun kinderen geen andere weg vinden. Ze hadden trouwens hun handen vol aan de dagelijkse zorg voor hun gezin met negen kinderen. De revolutie van de jaren zestig tegen het patriarchale denken en handelen van de kerk en de staat, de hele maatschappij, was er nog niet en toen die revolutie kwam, richtte deze zich ook tegen hen en konden ze die niet zien als een mogelijkheid tot bevrijding.

 

Ook voelde ik woede over mijn vader. Hoe kun je je vrouw alsmaar zwanger maken als je ziet hoe zwaar het haar letterlijk en figuurlijk, lichamelijk en geestelijk valt om dag in dag uit verantwoordelijk te zijn voor al die kinderen.

Maar die verantwoordelijkheid namen mijn vader en moeder. Mensen van buitenaf hebben dat doorgaans volmondiger gewaardeerd dan wij, hun kinderen, omdat zij alleen de goede resultaten zagen, de goede opleidingen die we allemaal hebben gehad, het keurige uiterlijk van huis en kinderen en niet de kleur waarmee het werd gedaan en die wij, zeker toen we mondiger werden, niet altijd als prettig ervaarden. Ze gaven veel, maar vroegen ook veel. Ze stelden hoge eisen aan zichzelf, hadden hoge verwachtingen, maar stelden ook hoge eisen aan ons, hun kinderen, en verwachtten met grote drang dat wij hun verwachtingen waarmaakten. Dankbaarheid was een woord dat vaak als argument hiervoor werd gebruikt. Maar als je dankbaar móet zijn, kun je het niet, ik althans niet. Toen ik in het internaat van het kleinseminarie was, was ik mijn ouders echt dankbaar omdat ik hun zorg en toewijding zag en weinig last had van de dwang die eraan was gekoppeld. Toen ik deze dwang aan den lijve ging ervaren en hij weerstand in me opriep, kon ik dankbaarheid steeds moeilijker die gevoelsmatige lading geven die het diep in zich heeft.

 

Connie Palmen maakte dankbaarheid weer tot een levend begrip voor me toen ze in het boek ‘De Vriendschap’ schreef dat ze vond dat er doorgaans alle reden was dat kinderen hun ouders dankbaar waren, maar dat ouders doorgaans ook alle reden hadden om hun kinderen dankbaar te zijn, want meestal maakten kinderen toch ook de dromen en verwachtingen van hun ouders waar.

Denken over en worstelen met dankbaarheid heeft me erg geholpen, maar het mogen ervaren van echt dankbaar zijn en dankbaarheid krijgen, echt dankbaarheid voelen van beide kanten is een intens diepe ervaring die ik zowel rond de dood van mijn vader als die van mijn moeder heb mogen meemaken. Hun leven zo vol van veel, zo vol van tegenstrijdigheden, is toen tot rust gekomen, heeft de rust gevonden. En zij verlangden naar rust, vanuit de herinnering diep in hen van waar ze vandaan kwamen en waar ze weer naar toe wilden gaan, daar waar alle tegenstellingen en dualiteiten niet meer tegenstrijdig zijn maar één. In rust zullen verschillen weer met elkaar worden verbonden.

 

 

4.

 

Mijn vader schreef mij op 25 februari 1966, na de carnavalsdagen, een brief waarin hij reageerde op mijn brief van begin februari. In deze brief schreef ik uitvoerig over mijn toenemende twijfels of de keuze voor het priesterschap wel de juiste was. Mijn kamer in het klooster van Velaines, in het zuiden van België, keek uit op de toegangspoort van het park. Het park van het klooster was in het weekend ook toegankelijk voor de mensen uit het dorp. En als ik mijmerend in de stilte van de zondagmiddag verliefde paartjes het park zag binnenwandelen, kon ik me steeds minder voorstellen dat ik dat alles zou moeten missen als gevolg van de verplichte celibataire status van het priesterschap. Ik zag fysieke affectiviteit steeds meer als een onontbeerlijk onderdeel van mijn toekomstdromen, evenals veel van mijn vrienden. Een van hen, Harrie Heijmans, had in januari van dat jaar om deze reden besloten zijn priesterstudie te beëindigen. Dit feit maakte het mij mogelijk opener naar mijn situatie te kijken, want waarom zou ik dat ook niet kunnen doen. Over dit alles schreef ik in de brief van 13 februari 1966. Mijn vader schreef hierop het volgende:

Beste Harrie,

 

Nu wij het masker weer opgeborgen hebben en de slaap weer bijgeslapen hebben, zullen wij maar de pen weer eens gaan gebruiken om jou weer het een en ander te vertellen. Harrie, op de eerste plaats hoe gaat het nog in Velaines? We hopen van goed. Hier is alles nog oké op wat mensen na die niet te best kunnen praten. Verder zijn de katers weer weg en zo zie je dat we allemaal gezond zijn, wat na zo’n drie dolle dagen al heel wat is. Hoe is het carnavalsfeest bij jullie geweest? Hier is het mooi en gezellig geweest. Wij hebben de carnaval maar weer in de schouwburg gevierd. Maria is ook mee geweest, moeder niet, die had geen zin. Ja, wat is er verder nog voor nieuws in Sittard? Er is eigenlijk niet zoveel nieuws na je bezoek van enkele weken geleden en dus zullen we nu maar als gewone mensen zonder masker je proberen te antwoorden op je lange brief van 13-2-1966. Je zult begrijpen dat het steeds moeilijker voor ons wordt om je kinderen, die net als wij iedere dag een dag ouder worden en iedere dag andere ervaringen opdoen, antwoord te geven op de bij elke mens opkomende vragen. Ik geloof Harrie, dat je net als zovele anderen veel dingen te zwaar opvat. Iedereen probeert natuurlijk een ideaal leven te leven, maar ik geloof dat een ideaal leven voor de mens eigenlijk onmogelijk is omdat de mens als hij meent het werkelijke ideaal te hebben gevonden of bereikt, zich na korte of lange tijd weer lelijk bedrogen of ontevreden voelt. En nu is mijn mening hierover dat de mens dit ook nodig heeft om te blijven leven. Ik meen hiervoor de spreuk ‘Stilstand is sterven’ te moeten toepassen. Het is toch vrij normaal dat een arbeider, ook de arbeiders in de wijngaard des Heren, eens baas wil worden en als hij dat is, ja wat wil hij dan nog worden? Harrie, zou iedere priester niet als ideaal hebben eerst bisschop, dan kardinaal en zelfs paus te worden?Maar daar er maar één paus is, kan dat niet en dus zou je kunnen zeggen dat er maar één priester op de wereld is die dit ideaal bereikt heeft. En zo is het natuurlijk ook voor elk mens. Harrie, ik probeer je met deze woorden uit te leggen dat het heel moeilijk is om een ideale arbeider te zijn. Ieder mens is arbeider, wat voor functie hij ook heeft, arm of rijk. En daarom, laten wij de een af andere arbeidersstiel die wij op een gegeven moment gekozen hebben, ja misschien zelfs verkeerd gekozen hebben, proberen te beleven, in zoverre mogelijk met liefde voor de nu eenmaal gekozen stiel en in liefde voor de mensen waarmee wij door onze stiel te maken hebben. De liefde voor de huisgenoten en kennissen is iets heel anders of eigenlijk ook weer hetzelfde.

Beste Harrie, ik zou bijna zeggen nu ik klaar ben met de inleiding van mijn antwoord op je brief, dat we zullen moeten proberen een oplossing te vinden voor je moeilijkheden die je nu hebt of eigenlijk altijd gehad hebt. Ik heb met de inleiding geprobeerd je te vertellen dat het zeer moeilijk is, zeker als jong mens, het ideale te bereiken, je zou er ook van kunnen zeggen: dat is onmogelijk.

Ieder mens, Harrie, heeft in zekere mate moeilijkheden met zijn affectiviteit, maar jongen, dat is ook voor de mens weer nodig. Alleen de mens die te veel of te weinig hiervan heeft, zal het moeilijk hebben. Nu is het zo dat de mens die te weinig heeft, door de omgang met andere mensen hierin verbetering zal kunnen brengen. En de mens die teveel heeft, zal door de omgang met mensen hierin ook verbetering kunnen brengen.

Je schrijft dat je hier bij ons thuis een enorme affectiviteit vindt. Dit zal ik niet ontkennen, maar ik geloof dat het hebben of niet hebben van affectiviteit een kwestie is van karakter of instelling van ieder als mens. Ik ben het wel met je eens dat je dit zult missen, maar jongen, ik geloof dat je in de tegenwoordige tijd dit overal, zelfs in vele gezinnen niet veel meer zult vinden. En daarom jongen, zul je voor je eigen bestwil en voor je eigen gemoedsrust toch moeten proberen hierin verandering te brengen, want of je nu priester wordt of iets anders, je zult toch je eigen leven moeten leven tussen andere mensen en je schreef zelf dat ieder mens anders is, wat ook weer goed is voor de mens.

Harrie, ik kan me voorstellen dat een jongen als Harry Heijmans, die dus gebrek aan affectiviteit had, er mee opgehouden is. Hij zou misschien ook een heel moeilijk priesterleven gehad hebben. Maar Harrie, nu moet je mij niet verkeerd begrijpen, ik geloof dat de mens, ja ieder mens, eens in zijn leven de strijd zal moeten aanbinden met zichzelf. En nu zullen er enkelen zijn die zich zelf vermoorden, maar de meesten komen als triomfators, als andere, ja als betere mensen uit deze strijd. En nu is het zo dat de mens in de tegenwoordige tijd door zijn eigen ik of door gebrek aan eigen wil veel vlugger zal toegeven als dat dit vroeger het geval was. Ik wil hiermee zeggen dat hij de strijd met zichzelf zal proberen te ontlopen.

Harrie, ik zou je willen aanraden, probeer dat ‘te’ van je af te zetten. Wij kunnen je eigenlijk niet helpen, we kunnen wel, en dat doen we ook, voor je bidden. Nu ben je zo onderhand een mens geworden die zelf de boontjes moet doppen. Dit kan voor jou de strijd met jezelf betekenen. En jongen, zorg dat je als triomfator uit de strijd komt. Geloof maar, we helpen je toch. Harrie, het is zo moeilijk op te schrijven. Het is, zoals jij ook al schreef, je zou wel tien vellen vol kunnen schrijven maar ook mijn hand wordt lam en daarom Harrie, het slaat net half één, dus bedtijd, zou ik je nogmaals willen aanraden:

1e Geef de moed niet te vlug op. Wat je met hard werken of felle strijd verovert, geeft de meeste voldoening.

2e Het zal heel moeilijk zijn een ideale mens te worden, in welke stiel dan ook, of het ideaal te vinden.

3e De deur staat zeker altijd open.

Harrie, ik ga ophouden. We hopen dat wij door deze brief je weer een beetje geholpen hebben en wij hopen ook, bijvoorbeeld in de paasvakantie, hierover nog eens te kunnen praten. Harrie, ik zou je willen voorstellen om het liedje dat met de carnaval door heel Sittard gespeeld en gezongen werd, ook maar eens te zingen: En van je hoempa, hoempa (3x), tralalala (3x) enz. (100 x zingen en dansen erbij, gewoon op en neer).

Harrie het beste er mee, de groeten van de hele bende maar vooral van mamma en pappa.

 

Ik vond deze brief ongeveer een maand na de dood van mijn vader in mijn dagboek uit die tijd. Ik was getroffen door de beschouwende en betrokken toon ervan. Deze kant van mijn vader was ik vergeten door alle gebeurtenissen van de jaren erna. Ik realiseerde me dat het beeld dat ik van mijn vader had op zijn zachts gezegd, erg vertekend was. Ik vroeg me af wanneer en waardoor die omslag had plaatsgevonden in het beeld van een zorgzame en toegewijde vader naar het beeld van een tirannieke vader.

Het zoeken naar het antwoord op deze vraag is nog steeds aan de gang. Iedere keer begin ik er weer gesprekken over, lees ik mijn dagboek uit die tijd en mijmer erover naar aanleiding van beelden of boeken over de jaren ‘60, waarin deze omslag plaatsvond en waarin niet alleen de relatie met mijn vader ingrijpend veranderde maar ook de hele wereld. Ik was een kind van die tijd, onrustig zoekend en met een hang naar een nieuwe oorspronkelijkheid die niet gezocht werd in religies of andere vastgelegde opvattingen maar diep in onszelf, waar hij lag opgeslagen als een schat. Nu ik ouder word en terugkijk, zie ik steeds duidelijker hoe we ingebed zijn in een ontwikkelingsgang waarin we niet alleen een rol kunnen spelen maar waarvan we ook onderdeel zijn en door worden meegevoerd, beïnvloed. Toen ik in de jaren zestig weer thuis ging wonen, ontmoette ik in mijn vader en zijn gezin een wereld die niet de mijne was en waarschijnlijk nooit echt was geweest. Ik was van een andere tijd.

 

Als ik mijn dagboek uit 1966 lees, schrik ik van het verschil in toon die eruit klinkt in de tijd vóór 25 april 1966 en de tijd daarna. Op 25 april 1966 besloot ik mijn priesterstudie te beëindigen. Ik ging na tien jaar weer thuis wonen en dat was een cultuurschok. In de tien jaar waarin ik voor priester studeerde, kwam ik alleen in de vakanties thuis en dat was een totaal andere situatie dan wanneer je er altijd woont. In de vakanties prevaleerde het vakantiegevoel. Ik genoot van weer thuis te zijn en in een andere omgeving dan gebruikelijk. Van alle kanten werd er alles aan gedaan om deze tijd prettig te laten verlopen. Ik bekeek die thuiswereld dan ook met een roze bril en begreep niet altijd het ongenoegen van mijn broers en zussen. Wat ik ook niet in de gaten had, was het feit dat ik in de tien kostschooljaren in een totaal andere wereld had geleefd. Naast studie was lichamelijk, culturele en persoonlijke ontwikkeling belangrijk. Er was veel aandacht voor sport, werken op de grote boerderij, hobbyclubs, toneel, muziek, het leren geven van lezingen, etcetera. Op geloofsgebied waren de opvattingen modern te noemen. Zo was masturberen in de opvattingen van veel Katholieken nog een doodzonde. In het klooster werd je door Pater Overste aangeraden een biechtvader te nemen die dat gewoon beschouwde als bij de puberteit behorend, waardoor de rij studenten die ’s morgens voor de mis nog vlug ging biechten, alsmaar kleiner werd.

Vooral in het grootseminarie in België kwam ik in een hele vernieuwende en open cultuur terecht. Filosoferen was twijfelen en open luisteren naar opvattingen en meningen en proberen aan de hand van deze meningen een eigen mening te vormen. Dialoog met het Marxisme was een vak en het Existentialisme werd gedoceerd om met de aanhangers ervan te kunnen discussiëren. Je werd niet priester om te preken, maar je ging als priesterarbeider in fabrieken werken om samen met arbeiders te werken aan een menswaardige en sociale samenleving. De groep studenten werd gevormd door Walen, Kongolezen, Polen uit Noord Frankrijk en Nederlanders. Tevens was er een groot aantal studenten dat pas op latere leeftijd voor priester ging studeren en dus al heel wat levenservaring in de ‘echte’ wereld had. De Nederlandse groep studenten bestond uit jongens uit alle delen van Nederland, met alle verschillen in cultuur van dien. Ondanks de verschillen waren we gelijken, met dezelfde dromen en problemen. Er bestonden hechte vriendschappen waarbinnen je alles kon bespreken en omdat je samen in één gebouw woonde, kon je altijd bij elkaar terecht. We lazen alle moderne literatuur, van Jan Wolkers tot en met de nieuwe evolutietheorie van Teilhard de Chardin. De cultuur was ontwikkelingsgericht, op zoek naar nieuwe manieren van leven en werken om de wereld rechtvaardiger en menselijker te maken.

Daarnaast was er veel ruimte voor rust, stilte, meditatie, bezinning, afstand nemen. Je leerde daardoor kritisch naar jezelf en de wereld te kijken en de waarden van rust en stilte te ervaren en te waarderen. Je had de tijd om echt van de jaargetijden te genieten tijdens de vele meditatiewandelingen in de kloostertuin en rustig en aandachtig te studeren tijdens de verplichte stilteperioden.

Ik vond dit alles heel gewoon, ik was tien jaar niet anders gewend en besefte pas echt hoe fijn dit was toen ik in een totaal andere wereld terechtkwam, in een wereld waarvan ik dacht beschermd aan een nieuw leven te kunnen beginnen. Dit bleek een zelfgemaakte luchtbel te zijn die na enkele maanden uiteenspatte. Er werd niet echt geluisterd naar elkaar, er was geen open communicatie, er was geen plaats voor een eigen mening of afwijkende opvattingen of smaken en er was geen echte belangstelling voor wat je voelde en dacht. Belangrijk waren vooral het behalen van goede studiepunten, dat alles ordelijk en netjes verliep en dat je je voegde naar de geldende opvattingen en regels. Alles stond vast en elke afwijking werd ervaren als een aantasting van de heersende fundamentele waarden en ik als een raar iemand met rare ideeën en gedrag. Het was de wereld van Mieke Telkamp, van Meester G.B.J. Hilterman en Belcanto op zondagmiddag, van de KVP en de opvattingen van de latere bisschop Gijsen, terwijl mijn wereld die van Boudewijn de Groot was, de Beatles en van de hitparade op radio Luxemburg, van het tweede Vaticaanse Concilie en van de Partij van de Arbeid. Ik ervoer de wereld waarin ik terechtkwam als te klein, ik was er uitgegroeid, zoals je uit een jas kunt groeien. En hoewel ik geleerd had begripvol naar situaties te kijken, lukte dat in deze situatie moeizaam of eigenlijk niet, ik zat er teveel in. Ik voelde me bedreigd in mijn wezen, kon nauwelijks in iets mezelf zijn. De nieuwe studie slorpte me op. In huis had ik geen eigen plek. Ik miste de openheid, mijn vrienden, hun vriendschap, de momenten van stilte en rust. Ik had het gevoel dat ik mezelf aan het verliezen was, dat ik zou verdrinken in een oppervlakkig en burgerlijk leven, waarin de toekomst overzichtelijk en planbaar is en waar geen aandacht is voor de toekomst van de toekomst, zoals ik op 13 oktober 1966 schreef. In een wereld met maar één maat, is het moeilijk je eigen maat te vinden of te behouden. Ik rebelleerde, vocht voor een vrijheid die men niet herkende en erkende. En hoe harder ik vocht, hoe harder er, begrijpelijk, werd teruggevochten, zelfs toen ik niet meer vocht en inzag dat een betonnen muur moeilijk is te slechten.

Op een avond riep mijn vader me voor de zoveelste keer naar beneden om me vermanend toe te spreken over mijn onaangepast gedrag. Ik verweerde me door te zeggen dat ik mijn mening niet meer uitte en dat ik dus geen conflicten meer veroorzaakte. Mijn vader antwoordde hierop dat hij aan mijn gezicht zag als ik het niet met hem eens was. Toen brak er iets in me en zag ik geen andere uitweg meer dan letterlijk uit deze verstikkende omgeving te breken. Op een avond dat hij niet goed vond dat ik bij de ouders van mijn vriendin in Kerkrade bleef slapen, terwijl dat vele malen wel werd toegestaan, ben ik niet thuis gekomen en in Kerkrade blijven slapen. Toen ik de volgende dag thuis kwam, vond ik daar een verstikkende en ijzige stilte, niemand zei iets. Zelfs mijn vader zei maar één korte dreigende zin in de trant van “Als je dat nog een keer doet, dan ……”. Wat achter ‘dan’ volgde, ben ik vergeten. Niemand wist met de ontstane situatie raad, zelfs mijn vader niet. Ik heb me zelden in mijn leven zo alleen gevoeld. Ik weet zeker dat er broers of zussen waren die me steunden, maar dat konden ze niet openlijk doen. Ook weet ik dat er broers of zussen waren die het me kwalijk namen omdat mijn vader als reactie op mijn handelen, de touwtjes nog strakker aantrok.

Even daarna, in juli 1968, heb ik iemand gevraagd mijn spullen op te halen, heb ik de fiets gepakt en ben de straat uitgereden. Toen ik de straat uitreed, kreeg ik weer lucht.

 

 

 

5.

 

Mijn vader heeft me sinds mijn vertrek in juli 1968 meer dan 25 jaar niet in zijn nabijheid kunnen verdragen. Als ik mijn moeder bezocht, vertrok hij als ik binnenkwam. Ik bleef mijn moeder trouw en zij mij, ondanks het enorme verdriet dat ik had veroorzaakt door mijn plotselinge vertrek. Toen ik mijn vader en moeder in december 1993 uitnodigde voor mijn 50ste verjaardag en mijn vader een uur voor het feest zei dat hij het niet kon opbrengen om te gaan, zei mijn moeder dat zij wél ging. Hij bleef alleen thuis.

Het was een moment waarop mijn moeder open en duidelijk voor zichzelf koos. En de manier waarop ze daarna over die gebeurtenis sprak, straalde een gevoel van overwinning uit. Mijn vertrek en de halsstarrige houding van mijn vader voelden voor haar als een rauwe plek die ze zo graag wilde genezen. Ik weet zeker dat ze er uren voor heeft gebeden.

De stap van mijn moeder om zonder hem naar het feest te gaan, heeft hem veel gedaan. Wat precies wist waarschijnlijk zelfs mijn moeder niet, want dit soort processen verliep bij mijn vader zonder woorden, je kon alleen de gevolgen zien in de verpakte uitingen. Zo gaf hij mij eens, zonder er iets bij te zeggen, een sigaar in een sigarenkoker die al lange tijd in de auto lag, nadat hij duidelijk onredelijk ten opzichte van me was geweest. Hij zei nooit openlijk “sorry”. Als hij het echt voelde, verpakte hij het in een heel klein gebaar, soms bijna onzichtbaar. En soms zag je alleen zijn onmacht in een subtiele trek op zijn gezicht, een gekwelde uiting van zijn gevangen zijn en zich gevangen voelen.

De onmacht om zijn emoties te verwoorden werd schrijnend toen hij de laatste jaren van zijn leven bijna niet meer kon praten en juist toen soms zijn emoties zo graag had willen uiten in woorden.

 

Na het feest van mijn 50ste verjaardag veranderde er iets in de relatie van mijn vader met mij. Het was het begin van een voorzichtig werken aan een nieuwe relatie, waarvan we beiden wisten dat die zeer kwetsbaar was. We gingen, allebei wijzer geworden, respectvol met elkaar om. We wilden elkaar niet voor de tweede keer verliezen en we wisten hoe we elkaar konden kwetsen.

Een belangrijke positieve rol in de opbouw van de nieuwe relatie tussen mij en mijn vader heeft mijn huidige levenspartner Tineke gespeeld. Zij kwam uit een gezin waarin de inzet voor de kinderen, in vergelijking met de inzet van mijn ouders voor hun kinderen, zeer matig was. Zij was vol bewondering voor het feit dat mijn vader en moeder negen kinderen hadden opgevoed en ze allemaal in de gelegenheid hadden gesteld om een goede opleiding te volgen. Ze uitte deze bewondering op haar uitbundige en warme manier. Mijn vader heeft altijd een zwak voor haar gehad.

 

Heel voorzichtig kwamen we weer met elkaar in gesprek. We praatten nooit over de vervelende dingen uit het verleden, over de herinneringen aan de duistere wolken van onze strijd, maar probeerden elkaar te vinden in dat wat ons vanuit het verleden in positieve zin bond.

Ik herinner me nog de dag waarop ik voor het eerst weer voorzichtig in de familie werd opgenomen of liever gezegd werd toegelaten. Ik hielp mijn vader en moeder, samen met een aantal broers en zussen, bij de verhuizing naar hun nieuwe appartement in Sittard. Het voelde onwennig, ik was gespannen, hield me op de achtergrond en deed vooral mijn best, zelfs zo dat ik er, zoals later bleek, een liesbreuk aan opliep. Een paar dagen daarna hielp ik mijn vader nog met het verwijderen van de vloerbedekking uit het oude appartement. Ik voel nu nog hoe ik er alles aan deed om dat precies te doen zoals hij het wilde. Ik liep op eieren.

 

Onze ontmoetingen werden frequenter, mede als gevolg van zijn teruglopende gezondheid. Ik herinner me nog heel goed de wandelingen die we samen ongeveer twee maal per week maakten nadat hij na een lichte herseninfarct weer voorzichtig begon te lopen en mijn moeder het niet verantwoord vond dat hij dat alleen deed. Eerst de straat op en af en iedere keer een beetje verder, totdat hij zijn dagelijkse rondje door de stad weer kon maken. En toen ik op vakantie ging, zei hij: “Wil je tegen mamma zeggen dat ik het nu weer alleen kan”.

Tijdens deze wandelingen keken we naar dezelfde dingen, vonden dezelfde dingen interessant. Zo wilde hij graag naar bouwplaatsen gaan kijken en wekelijks bijhouden hoever ze gevorderd waren. Dat deed ik ook steeds en ook nu nog. Steeds meer zag ik hoe ik op hem leek. Ik had altijd gedacht dat ik meer op mijn moeder leek, maar dat bleek in toenemende mate meer een wens te zijn dan werkelijkheid. Het liedje van Stef Bos ‘Pappa, ik lijk steeds meer op jou’ heeft me vaak ontroerd in die tijd en nu nog. Dit proces van herkenning was moeilijk voor me, het hield me een spiegel voor in een tijd waarin ik heel wat had te overdenken na het op de klippen lopen van mijn huwelijk. Ik wilde niet op mijn vader lijken omdat ik zo niet wilde zijn, maar ik was wel in vele opzichten zoals hij. Door deze ontdekking kwam ik dichter bij mezelf en dichter bij hem.

Naarmate er weer een band met mijn vader groeide, werd ik ook weer meer kind. Ik voelde weer dat er van alles moest. Zo werd van me verwacht, zoals van alle broers en zussen, dat ik regelmatig op bezoek kwam en dat ik toch zeker iedere tien dagen belde als we een tijdje in Frankrijk waren. Ook werd een aantal praktische klussen aan me toebedeeld en dat gebeurde doorgaans op onbegrijpelijke gronden. Iedereen die op bezoek kwam, kon in de winkel schuin tegenover het bejaardenhuis een paar flessen wijn halen, maar als de wijnvoorraad begon op te raken, werd ík opgebeld met de vraag of ik, als we op bezoek kwamen, een nieuw voorraadje wijn wilde meenemen. En het was niet vanwege het feit dat mijn ouders dachten dat ik verstand van wijn had omdat we vaak in Frankrijk verbleven, want ze wilden altijd hetzelfde merk. En de meegebrachte wijn moest ik dan op een bepaalde plaats en manier in het middelste aanrechtkastje zetten. En als ik daar mee bezig was, zei mijn vader: “Doe het licht aan!” terwijl dat niet nodig was.

Klussen die met elektriciteit en de klok te maken hadden werden aan mijn zwager gevraagd om te doen. Was er iets met de tafel of moest er een gaatje in de muur worden geboord, dan werd ik gevraagd, terwijl bijna iedereen in onze familie handig was. Alles wat je deed, werd nauwkeurig in de gaten gehouden. Het werd weer als vroeger, al was de dwang subtieler verpakt maar daardoor des te dwingender. Als Tineke en ik een dag of vijf voordat we weer naar Frankrijk vertrokken op bezoek waren, zei mijn moeder bij het afscheid: “Maar jullie komen toch zeker nog even langs voordat jullie vertrekken!”. Het heeft heel lang geduurd voordat ik heel voorzichtig “nee” durfde te zeggen en dan nog met gebruikmaking van een of andere smoes.

Ook zag en hoorde ik weer het dwingende karakter van mijn vader. Naarmate zijn fysieke mobiliteit afnam en het spreken moeilijker werd, werden de uitingen hiervan samengeperst in kleinere gebaren en zinnen waarin de kracht bijna ontplofte. Maar ook zag en voelde ik dat hij echte interesse had en dat hij in toenemende mate behoefte had om zijn genegenheid te uiten. Als we na een lang verblijf in Frankrijk op bezoek waren bij mijn ouders en mijn moeder honderduit praatte over allerlei details in hun steeds kleiner wordende wereld van het bejaardentehuis, zei hij opeens: “Frankrijk”. Hij wilde horen hoe het er was, hoe het stond met het opknappen van ons huis en vooral welke problemen we nu weer waren tegengekomen. Hij had er zo graag naartoe gewild om er rond te kijken zoals hij dat overal deed waar gebouwd en verbouwd werd. Automatisch kwamen we dan te spreken over wat hij vroeger allemaal had gebouwd en ‘gefisternöld’, geknutseld. En dan zag je hem opleven.

En als we dan weggingen, pakte hij mijn hand tussen zijn twee grote handen en kuste me liefdevol en hartstochtelijk drie keer op mijn mond. Het voelde van beide kanten als het willen inhalen van verloren jaren.

 

6.

 

Mijn vader viel half september 2005 en brak zijn heup. Op 15 september werd hij geopereerd. Mijn zus Maria en ik zaten te wachten in de wachtkamer van het ziekenhuis en verwachtten niet dat hij de operatie zou overleven. Maar dat deed hij wel. Toen hij na de operatie wakker werd, voelde ik de worsteling die hij en wij doormaakten. Hij en wij verlangden dat hij rust zou vinden, maar hij kon nog niet sterven en wij konden hem nog niet laten sterven. Voor de operatie hadden we innerlijk al afscheid van hem genomen. Toen hij zijn ogen opende na de operatie voelde ik verdriet en blijheid tegelijk, een tegenstrijdig gevoel dat er al langer dan een jaar was.

In de zomer van 2004 bleef hij op een dag in bed liggen, nam zijn medicijnen niet meer en wilde nauwelijks eten of drinken. Hij wilde niet meer leven, het was genoeg geweest. We kwamen regelmatig terug uit Frankrijk en verzoenden ons met zijn wens. Iedere keer namen we afscheid, niet wetend of hij er nog zou zijn de volgende keer. Een van die keren dat we terugkwamen, zat hij weer in zijn vertrouwde stoel voor het raam en at met smaak een stuk kersenvlaai. Toen had ik voor het eerst dat tegenstrijdig gevoel van verdriet en blijheid. Ook besefte ik op dat moment dat niet meer willen leven iets anders is dan willen en kunnen sterven en dat iemand rust gunnen na een lang leven iets anders is dan iemand kunnen laten sterven. En dan hoop je dat iets in de tijd je uit die tegenstrijdigheid van gevoelens bevrijdt, zoals de operatie aan zijn gebroken heup.

 

Na de operatie zonk mijn vader weg in een nog groter zwijgen. Hij weigerde elke therapie en lag, nauwelijks aanspreekbaar voor iedereen, op een afdeling in het ziekenhuis die totaal niet was ingesteld op mensen die wilden sterven. De meeste patiënten stonden de dag na de operatie al weer naast hun bed en liepen onder begeleiding van fysiotherapeuten op de gang te oefenen. De hele afdeling ademde een sfeer van revalidatie, weer gezond willen worden en die sfeer maakte de wil van mijn vader om niet meer te leven schrijnend. Elke dag werd hij door de zusters in een stoel gezet bij het raam, maar hij wilde alsmaar terug naar bed. Ik voelde me machteloos als ik aan zijn bed stond, wist niets te zeggen en kon alleen zijn grote hand vasthouden en luisteren naar het geluid van het apparaat dat met tussenposen de matras van zijn bed een beetje deed bewegen door er lucht in en uit te blazen om doorliggen te voorkomen. Toen zijn situatie stabiel was, zijn we teruggegaan naar Frankrijk. Ik had het gevoel dat ik aan het proces dat hij doormaakte geen bijdrage kon leveren en had moeite met het feit dat het niet mogelijk was emoties met hem te delen, zoals zo vaak en zo lang. Het maakte me enigszins opstandig en afstandelijk.

 

Veertien dagen later was mijn zus Roos 25 jaar getrouwd. Op haar trouwdag waren we met een aantal broers en zussen bij elkaar en ik ontmoette daar dezelfde sfeer van machteloosheid, opstandigheid en afstand. We voelden ons met elkaar verbonden en gesteund in deze gevoelens, die we eigenlijk ongepast vonden, maar die er wel waren. Met gêne werd toegegeven dat een aantal van ons gedacht had: Als hij het nu maar niet klaar krijgt om dit feest niet te laten doorgaan door te sterven. De pijn van de emotionele afstand en van zijn macht was in al zijn omvang voelbaar aanwezig.

 

Door het feit dat hij geen levensmoed meer had en nauwelijks at en dronk, ging zijn gezondheid zienderogen achteruit en konden de mensen in het ziekenhuis niets meer voor hem doen. Ze waren er om hem weer beter te maken, maar omdat hij dat niet wilde, voelden ze zich na verloop van tijd even machteloos als wij. Omdat er geen uitzicht was op herstel heeft mijn zus Maria contact opgenomen met het hospice in Geleen en gelukkig was daar op zeer korte termijn plaats voor hem. Zijn verhuizing naar het hospice was een omslag in mijn gevoel en in alles.

De kilheid en saaiheid van het ziekenhuis werd verruild voor een kleurige en grote kamer met veel licht en een gezellig zitje. We mochten zelf schilderijen ophangen en voor mijn moeder een gemakkelijke stoel neerzetten. Er was altijd koffie of thee en het personeel was gastvrij en opgewekt. Zij waren er om ons allen te helpen het naderende sterven te vergemakkelijken. Het eerste wat zij mijn vader vroegen toen hij op zijn nieuwe kamer lag, was of hij een borrel wilde. Ik weet niet of hij besefte wat de zuster vroeg, maar hij knikte ja en kreeg een borrel. En hij vond het lekker volgens zijn ‘zeggen’.

Er waren geen voorschriften voor hem en ons, alles was erop gericht zijn laatste dagen zo aangenaam mogelijk te maken. We konden op elk moment van de dag en nacht binnenlopen en zo lang blijven als we wilden.

Door zijn verhuizing naar het hospice verdween ook de tegenstrijdigheid in mijn gevoelens. Ik wist dat hij binnenkort zou sterven, dat vasthouden aan zijn leven geen optie meer was. En dat gaf een zekere rust, ik kon beginnen me te verzoenen met zijn heengaan. Hierdoor voelde ik me ook minder machteloos en kon met hem meegaan in zijn verlangen naar rust. Het afscheid nemen was begonnen, het loslaten van mijn vader, met wie ik zo ingewikkeld verbonden was.

 

Nu weet ik dat hij de vader was die ik heb gekozen en die ik nodig had om te worden wie ik wil zijn. Ik ben dankbaar voor het proces van jaren waarin we beiden uiteindelijk gehoor hebben kunnen geven aan die diepe verbondenheid die we hadden als vader en zoon. Ik ben niets vergeten van onze strijd en misnoegen over elkaar, maar ik kan het zien in het bredere levensperspectief van mijn groei en ontwikkeling en de rol die hij daarin heeft gespeeld. Door dit proces met hem te hebben meegemaakt, heb ik mogen ontdekken en ervaren wat mededogen is. Het ervaren van mededogen is voor mij nog voller dan liefde. Een gevoel van liefde doet vervelende dingen vergeten en doet de diepere verbondenheid voelen die je met iemand hebt. Bij mededogen is alles er, de goede en slechte momenten, de strijd, het geluk, het verdriet, de boosheid, de blijheid, de nabijheid en afstand, het gemis en verlangen, en dit alles wordt ervaren als een geheel. Je begrijpt gedragingen en gebeurtenissen, je kunt ze bekijken vanuit het perspectief van de ander, vanuit zijn worstelen, vanuit zijn onmacht. En dan komt er een moment dat je je vanuit het ervaren van je eigen worstelen en onmacht zo verbonden voelt met de ander dat er alleen maar diepte stilte en vrede is, dat waar we uiteindelijk diep naar verlangen.

 

Toen mijn vader naar het hospice was verhuisd, maakten we een bezoeklijst om te voorkomen dat we met teveel of te weinig mensen bij hem waren. Ik ging bijna elke dag bij hem langs, vaak even in de namiddag of late avond en genoot dan van de stilte, de herfstgeuren in de lucht en het woordeloos bij hem zitten. Hij sliep bijna altijd en als ik kwam, gaf ik hem een kus op zijn voorhoofd en zei: “Ik ben het, Harrie”, en dan gaf hij soms duidelijk, soms onduidelijk aan dat hij het besefte.

In die uren trokken flarden van het leven langs, van zijn kracht en onmacht. Ik zag hem door de constructiewerkplaats van Dekkers Staalbouw in Sittard lopen in zijn grijze stofjas, mensen aanwijzingen geven en ingewikkelde constructietekeningen bestuderen. Ik bekeek dat alles vanuit zijn glazen kantoortje van waaruit je een groot gedeelte van de werkplaats kon overzien. Ik zat daar soms op woensdagmiddag als mijn vader me meenam ter ontlasting van mijn moeder. Ook beklom ik in gedachten weer de vele trappen op het ontgrindingsbedrijf in Urmond aan de Maas. De trappen liepen vanaf het water waar de schepen met grind aankwamen, naar de veel hoger gelegen kade waar het grind via een transportband vanuit de schepen in een hoge toren terechtkwam en met donderend geraas werd gezeefd of gebroken en onder in de silo’s voor zand, grind of gebroken steentjes terechtkwam. Vaak mochten we in het weekend mee als er machinerieën gerepareerd of vervangen moesten worden en mijn vader ervoor moest zorgen dat er ’s maandags weer gedraaid kon worden.

Ook zag ik mijn vader weer in stilte lijden toen zijn droom, de overname van een kleine smederij, annex constructiebedrijf in Sittard, niet doorging en hij wekenlang werkeloos thuis rond liep en van allerlei klussen deed, zoals het smeden van een prachtig heiligenfiguur voor een katholieke LTS in Brunssum. Later vertelde mijn moeder hoe moeilijk die tijd was en hoe voorzichtig mijn vader moest zijn voor ‘de controleur’. Er werd nauwelijks gepraat over wat de reden was van het niet doorgaan van de overname, maar zeker was het dat de afspraken voor de overname niet goed waren vastgelegd en de rechter uiteindelijk een uitspraak moest doen in het geschil. Mijn vader werd in het ongelijk gesteld, maar kon gelukkig weer terug als chef technische dienst naar het ontgrindingsbedrijf in Urmond.

De mislukking van het krijgen van een eigen bedrijf moet een hele knauw voor hem zijn geweest. Zijn vader en broers hadden een eigen bedrijf en hij vond dat zijn broers dat eigenlijk best wat professioneler konden runnen. Graag had hij zijn denkbeelden hierover in praktijk gebracht.

 

Langzaam aan werd al wat hij op zijn schouders nam en had genomen hem te zwaar. Hij kreeg last van een ernstige hernia waarmee hij de rest van zijn leven sukkelde en waardoor hij al voor zijn zestigste arbeidsongeschikt werd. Toen hij na een lange ziekteperiode weer aan het werk kon, trof hij een HTS-er werktuigbouw aan achter zijn bureau. De toon waarop over dit voorval af en toe werd verteld, deed vermoeden dat dit feit mijn vader het gevoel gaf aan de kant gezet te zijn. Hij had zijn hart en ziel aan het bedrijf gegeven, zoals aan zijn gezin, en het deed hem pijn te moeten ervaren dat dit niet leidde tot onvoorwaardelijke trouw van de kant van het bedrijf. Het was moeilijk voor hem om zijn werk los te laten. Voor wie trouwens niet?!

 

In het hospice zag ik hoe moeilijk het is om het leven los te laten. Hij wilde zo graag gaan, maar hij kon het nog niet. Het was gewoon wachten en hopen dat hij hulp kreeg om de stap te zetten. Ik zou hem zo graag hebben verteld over waar hij terecht zou komen, over alles wat ik daarover te weten was gekomen op mijn zoektocht naar de wereld achter de horizon. Maar ik kwam niet verder dan tegen hem te zeggen dat ik van hem hield, dat hij niet bang hoefde te zijn en dat alles daarachter vol vrede en liefde was. En als ik dat zei, voelde ik het nietszeggende van die woorden voor iemand die was opgegroeid en had geleefd binnen een geloofsopvatting waarin zonde, straf en boete centrale thema’s waren. Dat God liefde is, leidde voor velen uit die generatie vaak alleen maar tot de gedachte dat het misschien allemaal wel zou meevallen met het vagevuur en de hel. De boosheid over de verworde boodschap van de katholieke kerk voelde op dat moment als een diep verdriet.

 

Het hospice was in die dagen het middelpunt van de wereld voor me. Alles in me was bezig met zijn dood en alles in me vocht om het juiste beeld van mijn vader te krijgen. Ik kon niet meer met hem communiceren en dus zocht ik naar herinneringen uit het verleden om mijn gedachten en emoties te ordenen. Ik zag naast de momenten van macht ook de momenten van zijn kracht en enorme inzet waarmee hij in staat was het leven een stuwende en vrolijke inhoud te geven. Ik zag beelden van hoe we met zijn allen gingen kamperen in Berg en Dal, Cochem, Hoenderloo en Heimbach. De eerste keer huurde mijn vader tenten bij Klinkenberg in Hoensbroek en leende hij oliebranders om te koken bij de verkenners. Als bedden werden ondermatrassen van jute gebruikt en om te zitten zelfgemaakte inklapbare krukjes. De zes oudste kinderen reden met de fiets van Sittard naar Berg en Dal en mijn vader reed daarheen met de auto, vergezeld van mijn moeder, de drie kleinere zussen en de kampeerspullen. Als we op vakantie waren, was hij royaal. Ik herinner me nog dat we vaak een wijntje dronken op een terras in Cochem, misschien wel meerdere want ik was, volgens de verhalen, behoorlijk aangeschoten en wilde in de Moezel springen.

Op zaterdagmiddag ging hij altijd met mijn moeder naar Lunchroom Schragen aan de markt in Sittard koffie drinken met gebak en een drankje na. Ze kenden iedereen daar. Het was hun uitje na een week hard werken.

Ze gingen samen regelmatig op vakantie naar de Rijn of Moezel, naar Lourdes en Wenen. Hij hield van reizen en uitstapjes. ´s Middags met de auto een rondritje maken door het Zuid Limburgse landschap en koffie drinken en een pilsje op het terras van Hotel Ons Krijtland in Epen, behoorde tot de wekelijkse activiteiten. Het was dan ook een heel moeilijk moment in zijn leven toen hij rond zijn 75ste zijn auto moest wegdoen omdat hij hem niet meer verzekerd kreeg vanwege de vele ongelukken die hij veroorzaakte als gevolg van kleine herseninfarcten. Opeens werd de wereld klein, te klein voor hem.

 

En de wereld werd alsmaar kleiner. De afstanden die hij kon lopen werden steeds korter en lezen, gesprekken voeren en naar muziek luisteren steeds moeilijker. En dat terwijl lezen en muziek luisteren zo´n belangrijke plaats in zijn leven hadden ingenomen. Hij ging regelmatig naar de bibliotheek om boeken te halen, had alle boeken van professor De Jong over de tweede wereldoorlog en had alle belangrijke opera´s en operettes bezocht in de schouwburg en beluisterd op de radio of via de vele grammofoonplaten die ze hadden. De wereld werd dus niet alleen kleiner maar ook stiller. Wat over bleef was kijken naar wat zich op straat afspeelde. En dan zag hij vanuit het raam of vanaf het balkon van het appartement hoe scholieren van de tegenover gelegen school geen boterhammen meer mee naar school namen, maar in de pauze allerlei lekkernijen gingen kopen, zoals broodjes en punten pizza´s. Daar vertelde hij over toen hij nog kon praten. Later in het bejaardentehuis wisten we niet meer wat hij allemaal zag en vertelden wij hoe prachtig de bomen kleurden in de tuin van het tehuis en dan knikte hij, hij had het gezien. En als er niets meer was te zien, deed hij zijn ogen dicht en trok zich terug in zichzelf, in zijn binnenwereld die niemand kende.

 

Toen mijn vader en moeder naar het bejaardenhuis verhuisden, moesten ze veel achterlaten. Ik keek met grote verbazing naar alles wat er in hun appartement achterbleef en wat ze niet konden meenemen. Boeken, servies, keukengerei, koelkast, wasmachine, alle gereedschap van mijn vader, kasten, bedden, tafeltjes, enzovoort, enzovoort. En dat was nog maar een klein gedeelte van wat ze allemaal hadden toen we met zijn allen in het grote huis woonden in de Geldersestraat. Als mijn vader en moeder vroegen om een klusje te doen, lette ik erop dat ik zijn gereedschap meenam. Ik wist dat dat hem goed deed, het verzachtte de pijn van het alsmaar afstand moeten doen en loslaten.

En zo was de wereld alsmaar kleiner, stiller, en leger en verder weg geworden op weg naar het naderende definitieve heengaan.

 

Zo dreven in die dagen de herinneringen en emoties aan me voorbij als wolken aan de lucht, zittend aan zijn bed en kijkend naar mijn verstilde vader, op weg naar een andere wereld.

 

7.

 

Mijn vader was op vrijdag 14 oktober erg onrustig in zijn stil zijn. De verpleging zag dat als een teken dat hij pijn had en er werd besloten om hem morfine toe te dienen. Na enige tijd zakte hij weer terug in bewegingloosheid. We wisten toen dat het einde in zicht was. Hij dronk al een aantal dagen nauwelijks of niets meer waardoor zijn lichaam langzaam steeds krachtelozer werd om zijn ziel vast te houden. We lieten hem die morgen stil op zijn kamer achter met een vredig gevoel van verdriet. Het definitieve afscheid was nabij.

 

Tineke en ik hadden rond de middag een afspraak met vrienden in Maastricht en toen deze, om de files in het spitsuur te vermijden, in de vroege namiddag eerder terug reden naar het westen dan gepland, had ik onverwacht een stukje tijd over. De gedachte kwam in me op om nog even naar mijn vader te gaan en toen Tineke dat steunde, ben ik direct naar Geleen gereden. Het was prachtig herfstweer, de zon scheen laag over het gouden landschap en in het verzorgingstehuis en het hospice hing de vredige rust van de namiddag.

 

Iedere keer als ik zijn kamer binnenging, voelde ik naast de energie van het licht dat door de grote ramen viel, de krachtige energie van mijn vader. Hij was in al zijn bewegingloosheid duidelijk aanwezig. Hij was altijd echt iemand geweest en dat was hij nog steeds in alle verstildheid. Zoals altijd liep ik naar hem toe, pakte zijn grote hand en gaf hem een kus op voorhoofd en zei: “Pappa, ik ben het, Harrie”. Hij draaide zijn hoofd een beetje naar me toe, knipperde met zijn ogen en keek me met zijn vermoeide ogen even aan. Toen sloeg hij met onverklaarbare kracht zijn beide armen om me heen en kuste me intens…………………….

Het deed alles in me openbarsten en als ik de golf van emoties niet met heel veel moeite in bedwang had gehouden was ze oncontroleerbaar ontploft.

 

In die paar seconden gaf en zei hij zoveel meer dan wat hij met duizenden woorden of wat dan ook had kunnen zeggen en geven. Al het on-uitgesprokene werd toen gezegd in een woordeloze taal waarvan je droomt dat je die altijd zou kunnen spreken.

Na dat moment van thuiskomen bij elkaar vielen zijn armen weer krachteloos langs zijn lichaam en gleed hij terug in zijn stilte. Ik heb in tranen zijn gezicht gestreeld, gezegd dat ik heel veel van hem hield en dat het zo goed was.

 

De uren daarna waren alleen maar vol, met nog meer tranen van intense verwarring, geluk en verdriet. Dat gevoel van toen, zo vol van alles en zo onuitspreekbaar, is nooit meer weggegaan. Iedere keer als ik in gedachten dicht bij hem ben, voel ik het weer. Even waren we zo dicht bij elkaar, intens zielsverbonden waarnaar we alsmaar onmachtig strijdend hadden gezocht en verlangd. Vanaf dat moment was alles opeens onuitwisbaar goed.

 

Toen ik de volgende dag, zaterdag 15 oktober, naar mijn vader ging, lag hij stil en vredig in het zachte herfstlicht, maar was hij al weg. Zijn krachtige energie was er niet meer.

 

Zondag 16 oktober 2005 ging zijn toestand zo snel achteruit dat de verpleging en wij allen het nodig vonden om continu te waken. Mijn moeder nam rond drie uur ’s middags afscheid van hem met stille woorden en aanrakingen en zo schreeuwend van verdriet dat alleen de gedachte aan dat moment me iedere keer weer door merg en been gaat.

 

De zusters hadden hem op zijn zij gelegd om te voorkomen dat hij zich verslikte in zijn speeksel en zijn grote machteloze handen op een kussentje. Zo is hij om 21.15 uur heel rustig gestorven op het moment dat mijn oudste zus waakte, zijn eerste kind. Toen ik een halfuur daarna in het hospice kwam, voelde ik een intense verlatenheid, hij voelde levenloos en was echt weg. Het is volbracht.

Er was een mengeling van vervulling, vrede, verdriet en gemis en die mengeling van gevoelens is er iedere keer weer als ik hem onverwacht ontmoet in mijn gedachten. En dat voelt onuitwisbaar goed en heel dichtbij, als iets van eeuwigheid.

 

 

 

Champlin-Frankrijk, 2008, © Harrie Bielders

 

Eerder verschenen in boekvorm.

Auteur

Harrie Bielders (1943)

'Een geschiedenis van twee botsende karakters, die na vele jaren en met veel inspanning uiteindelijk hun tegenstellingen weten te overbruggen.' - Leo Bielders

Voorwoord

 

'Mensen die geschiedenis schrijven, zijn het nooit met elkaar eens, en toch is het echt gebeurd. Over één ding dat maar één keer is gebeurd, vertellen ze wel honderd verschillende verhalen. Ze schrijven er boeken over. De mensen die erbij waren, zagen niet allemaal hetzelfde. Zelfs met de televisie weet je niet echt wat er is gebeurd, en zelfs wanneer je erbij bent, zie je het niet goed, of je ziet niet alles, of je ziet alleen wat je kan of wil zien.’

 

Gesprekken met mijn tuinman.

Henri Cueco