Een terugblik op 15 jaar Frankrijk - Harrie Bielders

Een terugblik op 15 jaar Frankrijk

Zestien jaar geleden, half september 1998, was het nieuwe schooljaar weer begonnen en waren de herinneringen aan de lange en heerlijke vakantie in Zuid-Frankrijk al weer vervaagd door de drukte van het werk als docent aan de hogeschool. En toch was er iets anders dan andere jaren.

Eind augustus, een week na terugkomst uit Frankrijk, zat ik op het terras in onze tuin in Schinnen en sprak woorden die nog steeds gegrift staan in mijn geheugen: ’Waarvoor ben ik eigenlijk uitgerust?’. Ze kwamen voort uit het gevoel dat de komende weken in me opriepen: voor de zoveelste keer beginnen aan een nieuw schooljaar met alle voorspelbare werkzaamheden en rituelen. Ik had er gewoon geen zin in, ik wilde het vakantiegevoel van rust en vrijheid vasthouden, weg van de hektiek, het gejaag, het moeten. Het was zo’n intens gevoel van heimwee dat ik in een spontane opwelling het idee opperde om onbetaald verlof te nemen en een half jaar in Frankrijk te gaan wonen. Dat was het begin van 15 jaar Frankrijk.

 

Nu, 16 jaar na die terrasscene, woon ik in een appartement in Valkenburg en kijk ik vanachter mijn laptop door het raam naar de rode beuk en de prachtige huizen aan de overkant, oude huizen, parkhuizen. Het is windstil, de rode bladeren van de beuk hangen bewegingloos in de nazomerlucht. In deze stilte schrijf ik over mijn Frankrijkperiode en zoals bij het schrijven van alle boeken en artikels die ik mijn leven heb geschreven, weet ik nog niet precies hoe het verhaal er uit zal gaan zien. Schrijven is voor mij voornamelijk een nieuwsgierig zoeken, een bewustwordingsproces van de drie lagen van de werkelijkheid: de feiten, het kijken naar hoe de feiten zich aan elkaar rijgen en het filosoferen over diepere betekenissen ervan. Feiten zijn op zich niet interessant, ze worden interessant als ze vanuit het verleden, het heden en naar de toekomst een levensinhoud krijgen, als ze hun zin of onzin ontsluieren, laten zien.

 

Terug naar 1998. Ik begon met een nieuw gevoel aan een nieuw schooljaar. Het idee van een half jaar Frankrijk werd snel een concreet plan dat uitzicht gaf op een periode waarin ik niet gevangen zou zijn in moeten, maar zou kunnen genieten van het gevoel dat ik had in de afgelopen 4 weken langs de Côte Vermeille, een gevoel van ont-moeten in de betekenis van niet meer moeten. In het gesprek met mijn directeur over een mogelijke periode van onbetaald verlof, werd de mogelijkheid aangedragen dat ik gebruik kon maken van een regeling waarin ik de uren die ik op basis van mijn leeftijd per week eigenlijk minder hoefde te werken, toch zou werken en me verplichtte met vervroegd pensioen (VUT) te gaan op mijn 61ste. De ATV-uren die ik zou werken, werden dan verdubbeld en die uren samen kon ik onder andere gebruiken voor een sabbatical-periode. Geweldig voor alle betrokken partijen: ik een half jaar betaald verlof en de hogeschool over een aantal jaren een dure werknemer minder. We besloten dan ook vrij kort daarna het plan voor een half jaar Frankrijk uit te gaan voeren en in de periode augustus-december van het volgende jaar 1999 een half jaar in Frankrijk te gaan wonen. De voorbereidingen voor een langere Frankrijkperiode konden beginnen.

 

De volgende stap was het vinden van een betaalbare en geschikte plek en wel op een halve dag reizen vanaf Zuid-Limburg omdat mijn vader en moeder op hoge leeftijd waren en in kwetsbare levensfase. Het vinden van een betaalbare woning, bleek niet gemakkelijk. Alhoewel de gekozen periode van augustus tot januari voor een groot gedeelte buiten het toeristenseizoen viel, vonden de meeste verhuurders van vakantiewoningen of tweede huizen het toch heel normaal om tussen de twee en drieduizend gulden per maand te vragen. Via via vonden we uiteindelijk een huis op 550 km reisafstand en voor een totale huurprijs van 3750 gulden exclusief energiekosten en inclusief de zorg voor de tuin en het huis. In het vroege voorjaar van 1999 gingen we het huis en de omgeving bekijken. Het huis lag op een geweldige plek met een wijds uitzicht over het golvende Bourgondische platteland en het was er heerlijk rustig en stil. Het huis was een beetje rommelig, maar omdat we goede poetsers en inrichters waren, vormde dat geen probleem. We tekenden het huurcontract en het echte verheugen kon beginnen.

 

1 Augustus 1999 reden we naar het plaatsje Beaulieu in het departement Nièvre, in de regio Bourgogne en begonnen we aan onze Franse droom. En dat werd het. We kregen heerlijke zomermaanden cadeau waardoor we optimaal konden genieten van het buiten zijn. Ik herinner me nog intens de momenten dat ik door het golvende en verstilde landschap liep, schilderachtige dorpjes en stadjes verkende, heerlijk in de hangmat lag en dat we op het terras zaten met een glas wijn, Franse kaas en een prachtig uitzicht. Ik genoot van de intense rust en stilte en van de zee van tijd, van de weken en maanden die we voor ons hadden zonder ‘moeten’.

Na de zomermaanden kwamen we op onbekend terrein: we kenden wel de heerlijke zomers in Frankrijk, maar hoe voelde de herfst en de winter? Ook die waren heerlijk omdat we ze intens beleefden en voelden: de prachtige herfstkleuren, de gierende herfststormen, de kou, de intense duisternis met zijn schitterende sterrenhemel zoals we die nog nooit hadden gezien, de warmte en gezelligheid in huis en het nog meer verstilde platteland. We wilden het allemaal nooit meer kwijt. En daarom besloten we een huis te zoeken en te kopen waar we in de vakanties naar toe zouden kunnen gaan en waar we wellicht na onze pensionering zouden kunnen gaan wonen. Met tussenpozen planden we een zoekweek en gingen zelf of met makelaars op pad. Het resultaat was na ongeveer 30 huizen frustrerend. Altijd was er wel een reden om een bepaald huis niet te kopen: de ligging langs een drukke weg, teveel opknapwerk, te duur, gewoon niet leuk van sfeer, te afgelegen, te ingesloten en geen uitzicht. Dit laatste was een belangrijk criterium geworden, verwend en gehecht als we waren aan het prachtige uitzicht van het huis in Beaulieu en aan het gevoel van boven en buiten de wereld te staan en alles wat daarin gebeurde.

 

Ondanks het feit dat we nog geen uitzicht hadden op een vervolg, keerden we half december terug naar Nederland, uitgerust, met een ervaring rijker en met een nieuwe droom. We begonnen met nieuwe energie weer aan het ‘normale’ leven. Maar na een aantal maanden slorpte het werk weer al mijn energie op en verdwenen de herinneringen aan de vijf maanden Frankrijk snel in het verleden, zelfs de nieuwe droom. Maar soms gebeuren er dingen, zogenaamde toevalligheden, die het leven een andere wending geven.

Op een dag in het voorjaar van 2000, enkele weken voor Pinksteren, belde een Nederlandse vriend op die in Frankrijk woonde en met wie we tijdens ons verblijf in Beaulieu een aantal huizen hadden bezocht. Hij melde ons dat hij in een nabijgelegen dorp een huis had gezien dat te koop stond en dat wellicht iets voor ons was. Ik vroeg hem het huis te gaan bekijken en verslag te doen van zijn bevindingen. Hij was enthousiast en ik belde de eigenaresse van het huis, een mevrouw die in Parijs woonde en het als tweede huis gebruikte. We lieten haar weten dat we geïnteresseerd waren in het huis en dat we, als we de reis van 550 km naar Frankrijk maakten en het huis wilden kopen, wel serieus de kans daarvoor wilden krijgen. Ze zegde toe dat, als wij in het Pinksterweekend het huis gingen bezoeken en wij het huis wilden kopen, wij het eerste kooprecht zouden hebben. Deze berichten sleurden ons weer even weg uit de alledaagse drukke realiteit naar de herinneringen aan onze Franse vijf maanden en de daaraan verbonden droom.

We planden voor het Pinksterweekend een reis naar het dorpje Champlin, dat ongeveer 10 km van het ons vertrouwde dorpje Beaulieu lag. Maar de donderdag voor Pinksteren kwam ik thuis van mijn werk, moe en met helemaal geen zin om in het weekend 1100 km te gaan rijden. Ik stelde voor om niet te gaan: het zou toch weer niets worden, waarom zou dit wel een geschikt huis zijn. Net toen we bijna hadden besloten om niet te gaan, rinkelde de telefoon en belde de eigenaresse uit Parijs. Ze verzekerde ons nogmaals dat, als we het komend weekend het huis bezochten en het wilden kopen, wij het eerste kooprecht zouden hebben. De overbuurman zou ons met veel plezier rondleiden. Dit telefoontje trok ons alsnog over de streep om zaterdags naar Champlin te reizen.

Rond elf uur kwamen we aan. De overbuurman was al mensen aan het rondleiden en een ander stel liep met een schrijfblok rondom het huis. Het huis en vooral de tuin zagen er verwaarloosd uit, maar de ruimtes waren prettig, de prijs binnen ons budget, er was een centrale verwarming aanwezig en wat uiteindelijk de doorslag zou geven: het uitzicht vanaf het terras, aansluitend op de eetkamer, was panoramisch.

Aansluitend op de bezichtiging nodigde de buurman ons uit voor een aperitief, ik denk niet alleen uit beleefdheid maar ook om te kijken welk vlees hij in de kuip had, we werden immers wellicht zijn nieuwe buren. Half dronken gingen we lunchen en alles verwerken wat we hadden gezien. ’s Middags maakten we uitgebreid foto’s van het huis. ’s Nachts schrok ik in het nabijgelegen hotelletje midden in de nacht in paniek wakker: wat moest ik in godsnaam met twee huizen, waarvan er een helemaal opgeknapt moesten worden en wat moest ik met twee tuinen, waar moest ik de tijd vandaan halen in mijn drukke leven? Terwijl we de volgende dag terugreden, verdween alle paniek en zagen we dat dit de mogelijk was om onze droom werkelijkheid te laten worden: een huis in Frankrijk, met alles wat daarvoor stond. Thuisgekomen, spraken we op het antwoordapparaat van de eigenaresse uit Parijs in dat we het huis wilden kopen. De dag daarna kregen we een telefoontje met de mededeling dat zich na het weekend twee potentiële kopers hadden aangemeld en dat wij, zoals afgesproken, het eerste kooprecht hadden. Een notaris in Parijs zou alle formaliteiten voorbereiden. Wat zou er gebeurd zijn als we dat telefoontje op de donderdag voor Pinksteren niet hadden gekregen?

 

In september 2000 tekenden we in Parijs het koopcontract van ons huis in Champlin. Met een bos sleutels, een hele hoop uitleg over hoe dingen werkten, waar zich wat bevond, met wie we contact konden opnemen in geval van nood en dat soort zaken, gingen we in de herfstvakantie naar ons nieuwe huis. Met twee tuinstoelen, een luchtbed, een campinggasstelletje en dat soort zaken, kampeerden we in een koud huis, zonder gas, water en licht, schrobden de vloeren, verwijderden de spinnenwebben, zochten een leverancier van stookolie en een loodgieter om onze verwarming op gang te krijgen, namen contact op met de instanties die ons konden aansluiten op het water- en elektriciteitsnetwerk en ontdekten dat je elke Fransman mee krijgt als je hem deemoedig vraagt of hij jouw probleem wil oplossen. Ik herinner me nog het moment waarop het licht het deed, er water uit de kraan kwam, de geiser aansprong en het huis opeens warm voelde en we in een kaal huis, met een glas wijn, zittend op eenvoudige tuinstoelen met tussen ons in een omgekeerde appelkist, gelukkig waren.

 

In de vakanties daarna, ik had in totaal 12 weken vakantie per jaar, stouwden we onze auto vol met nieuwe spullen en maakten we het huis steeds een beetje comfortabeler en gezelliger. We klusten niet alleen, maar genoten ook van de sfeer waaraan we zo gehecht waren tijdens ons ‘proefverblijf’ in Beaulieu. Iedere keer als we de auto naast ons huis parkeerden en uitstapten, viel de rust en de stilte als een warme deken over ons heen. Dan staken we de sleutel in het slot van de voordeur, voelden hoe het binnen rook en voelde, deden de luiken open, keken hoe de tuin erbij lag, keken in de wijde verten en hadden iedere keer opnieuw ons thuisgevoel.

 

Een jaar na de koop van ons huis in Champlin besloten we ons huis in het dorp Schinnen te verkopen en in te ruilen voor een huurappartement in het centrum van een stad. Het onderhoud van twee tuinen en huizen en het verlangen om als tegenhanger van het wonen op het platteland een plek te hebben in het centrum van een levendige stad, waren enige van de vele redenen om deze stap te zetten. De ademing van wonen op het platteland en in de stad leek ons geweldig en werd een nieuwe droom. In december van 2001 tekenden we het huurcontract van een appartement in het centrum van Maastricht, verkochten begin januari 2002 ons huis in Schinnen en verhuisden in februari naar Maastricht. In ruim 4 maanden tijd was onze nieuwe droom werkelijkheid. En ook dit voelde als een reeks van gebeurtenissen die voor een groot deel gestuurd werd van buiten af.

We lieten ons in oktober van 2001 inschrijven voor een aantal appartementen met de gedachten dat het zeker een half jaar zou duren voordat we een geschikt aanbod zouden krijgen. Begin december kregen we al een aanbod en ook nog van ons meest favoriete appartement. Daarna was het zaak ons huis in Schinnen zo snel mogelijk te verkopen. Ik zette op de ochtend van 7 januari 2002 een bord in de tuin en ’s avonds was het huis in principe verkocht. De kopers wilden er vlug in, dus moesten we snel het appartement in Maastricht verven, het huis in Schinnen ontruimen en verhuizen. Dit alles met een baan en een bedrijf. Maar onze droom en de flow van de gebeurtenissen trokken ons er doorheen. Vol verwondering kijk ik nu op die periode terug en word nog kortademig als ik eraan terugdenk.

 

Het gedroomde plaatje was nu compleet en er kwam rust in ons leven door de afwisseling van de drukte en levendigheid in Nederland en de rust en stilte van het Franse platteland. De afwisseling versterkte de kwaliteit van beide sferen.

Toen ik in de vroege zomer van 2004 met pensioen ging, groeide het verblijf in Frankrijk van ongeveer 3 maanden naar 6 tot 8 maanden per jaar. Door de jaren heen hadden we het woonoppervlak van het huis verdubbeld door de zolderverdieping erbij te betrekken en hadden we het huis gerenoveerd naar onze smaak en onze wensen ten aanzien van wooncomfort.

In de zomers leek ons huis op een hotel: wekenlang kwamen kinderen, kleinkinderen en vrienden langs voor korte of langere tijd en was er de sfeer waar iedere Francofiel van droomt: zitten, eten, drinken en praten aan een lange tafel in de tuin tot in de late uurtjes, waarin de sterrenbeelden helder zichtbaar worden in het diepe duister en je je zowel op aarde als in de hemel voelt.

We verfransten en onze perioden in Nederland werden steeds korter. We ontwenden de drukte en het lawaai, de gejaagdheid van het leven, de voortdurende voelbare aanwezigheid van de gerichtheid op in onze ogen onzinnige dingen. Champlin voelde in alle opzichten als ons thuis.

Voor de buitenwereld werd dit ook steeds duidelijker. In het najaar van 2010 vroeg een familielid: ‘Als jullie het in Nederland niet meer leuk vinden en je voornamelijk in Frankrijk woont, waarom houd je dan het appartement in Maastricht nog aan?’. Deze vraag voelde alsof iemand je ’s morgens wakker maakt en zegt ‘opstaan’ en dat je dan plots tot de werkelijkheid komt. Ja, wat deden we nog in Maastricht? Niets. De vraag en het antwoord leidden al heel snel tot het besluit te emigreren naar Frankrijk. Een besluit dat heel wat gevolgen had: de zoveelste verhuizing, kijken wat we in Frankrijk konden gebruiken en wat niet, ons verdiepen in de consequenties met betrekking tot verzekeringen, pensioenen en belastingen, ons uitschrijven in Nederland en ons inschrijven in Frankrijk, enzovoort, enzovoort.

Uiteindelijk emigreerden we op 1 juli 2011 officieel naar Frankrijk en werd Frankrijk echt ons woonland. Los van allerlei bureaucratische veranderingen, veranderde dat niet veel in het leven van elke dag, wel in ons gevoel: we woonden nu in Frankrijk, helemaal, de tweeslachtigheid van wonen in twee landen was er niet meer. Alles verzonk in rust en stilte. De gevolgen daarvan heb ik niet voorzien, kon ik toen nog niet voorzien. Het zou mijn leven op den duur totaal omvergooien.

 

Er zijn periodes in je leven waarin de omgeving klopt en je tot volle bloei kunt komen. Ik herinner me de twee jaren begin jaren zestig, waarin ik op het grootseminarie in Zuid-België filosofie studeerde. Het klooster lag in een licht golvend landschap, grenzend aan het dorpsplein van het dorp Velaines en omgeven door een ommuurde tuin. Vanuit mijn raam op de tweede of derde verdieping keek ik over de tuinmuur het landschap in en genoot van de wisselde jaargetijden. Ik verbleef er in een gemeenschap van Belgen, Congolezen, Polen en Nederlanders en een docentencorps met zeer vooruitstrevende opvattingen op zowel geloofs- als politiek-maatschappelijke gebied. Ik kon in de sfeer van rust en ritme, openheid en vrijheid van het klooster bloeien. Ik ontdekte dat ik goed was in inrichten en decoreren doordat ik de gelegenheid kreeg bij feesten de sobere en povere inrichting een gezellige sfeer te geven. Deze ontdekking zou bepalend zijn voor mijn latere beroepskeuze. Ook ontdekte ik dat ik niet geschikt was voor een celibatair leven. Als ik zondagmiddag de verliefde paartjes door de kloostertuin zag lopen, de tuin was dan open voor de dorpsgenoten, kon ik me niet voorstellen dat ik de gevoelens die dat bij me opriep, zou moeten onderdrukken. Ik ontdekte dat ik iemand was die niet alleen ‘de wereld’ wilde beschouwen, maar ook letterlijk wilde voelen en vormgeven. Ik ontdekte mijn behoefte om me letterlijk te verbinden. De afstandelijkheid van het geloof, de filosofie en het celibaat paste niet bij me. Na 10 jaar besloot ik dan ook mijn priesterstudie te beëindigen en bouwkunde en architectuur te gaan studeren.

 

Ongeveer 40 jaar later, in de jaren na mijn pensionering, kwam het verlangen naar ‘de kloostersfeer’ terug. Iedere keer als we kloosters bezochten en door de gangen ervan liepen, werd ik bevangen door een omhullende sfeer die ik niet kan omschrijven, maar die raakte aan de sfeer van rond mijn 20ste. Die sfeer zocht ik toen we permanent in Frankrijk gingen wonen. We noemden ons huis in 2011 dan ook ‘Le Petit cloître’ (Het kleine klooster). We bouwden aan ritmes in de dag en week, trokken tijd uit voor meditatie, studie, schrijven, klussen en wandelen en vulden de zaterdag in als ‘Jour de fête’ en gingen er dan op uit. In en door de rust van dat ritme ontstond er ruimte voor mezelf, kon ik mezelf voelen en wat er allemaal in me omging. Ik kwam los van de wereld waarin ik jaren had gewerkt en vond langzaamaan rust in mezelf, ontdekte mijn behoeftes, hobby’s en ritmes en kwam daardoor thuis bij mezelf. Ik verbond me met het huis, de tuin, het dorp, de streek, het landschap en zocht mensen en groepen met wie ik mijn passie voor kunst kon delen. En terwijl ik mezelf terugvond, werd ook duidelijk hoe het was tussen mij en mijn partner. In het subtiele proces van het zoeken en vinden van wat we nog wilden in en met de laatste jaren van ons leven, raakten we het gezamenlijke spoor dat we jaren hadden gelopen, kwijt. Ondanks alle inspanningen spoorden onze levens niet meer, konden we elkaar niet meer ontmoeten en raken in onze eigen manier van zijn. We konden elkaars groei en ontwikkeling niet meer delen en stimuleren, integendeel. We deden elkaar geen goed meer. Niet het gezamenlijke maar de verschillen heersten. Henk Smeijsters zegt in zijn boek ‘Autonomie’ dat liefde betekent dat ik de ander ondersteun zichzelf te zijn, dat we elkaar ondersteunen onszelf te zijn. Ik stelde me steeds vaker de vraag: Als dat niet meer het geval is, als we dat niet meer kunnen, waarom blijven we dan bij elkaar? Deze vraag leidde er toe dat ik ruim twee jaar na ons emigreren besloot onze relatie te beëindigen, ondanks de pijn, verwarring en chaos die dat veroorzaakte. Het was een keuze tussen overleven of leven.

 

Na onze scheiding bleef ik in ons huis in Frankrijk wonen. Naarmate de tijd verstreek, ervoer ik de omgeving waarin ik woonde in toenemende mate als te weinig stimulerend. Het platteland ontvolkt al decennia, je ziet er overwegend oudere mensen, er wordt niet meer geïnvesteerd, vernieuwd, het voelde in toenemende mate als doods. De jaren in Frankrijk hadden me, na 40 jaar ondergedompeld te zijn in drukte en hectiek, door de rust en stilte weer teruggebracht bij mezelf en mijn authentieke levenskracht. Ik wilde, zij het aan de zijlijn, weer meer in de wereld staan, haar levendigheid en dynamiek voelen, weer dichter bij mijn kinderen, kleinkinderen en vrienden zijn. Daarom besloot ik na 3 maanden te remigreren naar Nederland, naar een plek die de levendigheid van de stad en een dorpse knusheid in een typische Limburgse omgeving kent, een mix van sferen waarin ik me in het verleden prettig had gevoeld. Na vele verkennende wandelingen voelde Valkenburg als de plek die daaraan voldeed.

Na 14 verhuizingen en omzwervingen voelt alles als THUIS, terug in mijn geboortestreek, terug in het prachtige Limburgse landschap, terug in mijn moedertaal en cultuur, terug bij mijn dierbaren, terug bij mezelf. Weggaan, afstand nemen, rust en stilte opzoeken zijn vaak noodzakelijk om weer echt THUIS te komen. 15 jaar Frankrijk heeft daarin een essentiële rol gespeeld. Met warme herinneringen en grote dankbaarheid denk ik aan deze jaren terug.

 

 

 

 

Valkenburg, november 2014 © Harrie Bielders