De accordeonist - Ron Rouvroye

DE ACCORDEONIST

Bijna Kerst, 20XX. Hij stond al een tijdje te verkleumen bij de halte waar het busje zo moest komen. Al enkele maanden kon hij gebruik maken van een pasje voor het vervoer-op-maat, of zoals het in de volksmond werd genoemd, de belbus. Handig, want je kon hem gewoon op de gewenste tijd bestellen in plaats van een vaste dienstregeling. Handig ook voor het busbedrijf, want dan hoefden ze in zijn dorp geen lijnbus te laten rijden, en de belbus liep toch al voor de vijfenzestigplussers. Helaas waren die afspraken met de vervoerder niet zo waterdicht, en daarom stond hij nu al meer dan drie kwartier op de stoep, met tussen zijn benen geklemd de koffer met karakteristieke vorm, breed van achter, en schuin toelopend naar de beide sloten en het handvat. Elke kenner zag er de verpakking van een accordeon in, zijn onafscheidelijke kameraad.

 

Al op heel jonge leeftijd was hij door dat instrument gegrepen. De klanken van een goed bespeelde trekzak riepen bij hem prettige gevoelens op, en er konden zoveel verschillende stemmingen van uitgaan. Melancholische muziek uit de Balkanlanden, treurige maar ook spannende tango's en levensliederen, de chardassen die de mannen tot stoere dansen uitnodigden, de vrolijke valse-musettes die aan Parijse terrassen deden denken, of de opzwepende klanken van de Joodse Klèzmer-bruidsmuziek waar je, als je de ogen sloot, zomaar midden op een dansvloer kon staan van een bruiloft in de kibboets. Hij wilde dat ook, al was hij pas negen jaar, hij wilde de wereld rond en zijn eerste accordeon was daarvoor zijn paspoort. Dat was ook een van de belangrijkste redenen waarom hij zo gedreven speelde en oefende, en zijn muziekleraar voor een raadsel deed staan: allerlei knaapjes kwamen muziekles nemen, maar de meesten moest je achter de vodden zitten om hun stukjes in te studeren. Hij niet, hij kwam met zijn huiswerk naar de les, en speelde dat voor en gelijk een tweede stukje erachteraan dat hij alvast had voorbereid. En daar ging hij vol vuur in op, want de leraar was het niet ontgaan dat hij niet zomaar iets koos; steeds oefeningetjes die waren afgeleid van bekende melodietjes, en hij kende ze stuk voor stuk. Zijn kleine vingertjes vlogen rap over het klaviertje en zijn balg kreunde onder zijn enthousiasme, want het was al een wat ouder instrumentje dat zijn vader tweedehands op de kop had getikt. En de leraar

genoot van die inzet. Maar het was niet alles goud wat klonk, er was een probleempje. De jongen speelde wel vol vuur en met overgave, maar niet volgens de spelregels. Wat heet, hij lapte alles van de muzikale theorie aan zijn laars. Ritme was iets wat je moest bijeen tellen zodat het op het einde klopte, noten hadden altijd variabele lengtes en de crescendo's, staccato's en legato 's deed je toepassen afhankelijk van het weer en de dag van de week. En dat was nou niet bepaald waarvoor de muziekles diende...Maar de magie die er zweefde rondom dat manneke als hij speelde, dat voelde die leraar ook. En hij niet alleen, iedereen die in de buurt was keek op zijn minst eens om, of bleef even staan luisteren... enfin, dat was al heel lang geleden...een jaar of dertig inmiddels. Gelukkig had hij van die liefhebberij een goede broodwinning kunnen maken, speelde in diverse ensembles en gaf privélessen als freelance leraar. Daarnaast arrangeerde hij, en schreef zelfs eigen composities, die het meestal niet verder brachten dan de oefenboeken en de vrije handel, maar toch.

 

Nu stond hij gewoon te kleumen. Niks magie, of het moest het wonderbaarlijk logistiek talent zijn van de regionale vervoerder, die dus de mensen "op maat" kwam vervoeren... een geluk dat hij geduld had in zijn DNA.... Drie kwartier na het afgesproken tijdstip verscheen de regio-bus. Het zag er in de vallende duisternis een beetje gezellig uit, zo'n klein busje waar kleine lampjes in brandden, en waar een paar lotgenoten al een beetje waren opgewarmd door hun eigen wacht-en-kleum avontuur. Hij gaf de chauffeur zijn pasje en vertelde waar hij heen moest. Zoals hij al had verwacht, ging de chauffeur daarvan zo'n beetje overspannen in zijn zetel zitten, want hij had vanzelfsprekend hele andere gegevens van zijn centrale gekregen. De accordeon-man verdacht die organisatie wel eens van een soort sadisme, waar hij zich een eigen beeld van had gevormd: ze waren vast en zeker betrokken in het ontwerpen van beruchte computerspelletjes die je van de Sint of van de Kerstman kon krijgen; was het niet dat je mensjes van de stoep kon doodrijden met een gigantisch snelle race-wagen, dan kon je ze wel doodschieten met enorme wapens die je op afroep kon krijgen. En nu kon je beslist wel een spelletje krijgen waar je mensjes in een busje lokte, om ze dan met veel enthousiasme en geraas tegen de gevel van een oude windmolen te pletter te rijden. En daar kreeg je dan punten voor.... Hij zocht een plekje in de bus nadat de chauffeur was bekomen van zijn nieuwe opdracht en hem had verzekerd dat hij onmogelijk binnen een normaal geachte tijd op zijn plaats van bestemming zou zijn....al deze info moest nu toch wel even geprocessed worden in zijn kopje...

 

De bus was niet vol. Achter op de laatste bank zaten vijf jonge meiden, die volop aandacht voor elkaar hadden, en voor de belangrijke gebeurtenissen die ze net achter de rug of misschien net voor de boeg hadden. Juist omdat ze dat heel luidruchtig deden, waren de twee bankjes ervoor leeg. Blijkbaar waren ze op een illegale manier ingestapt, of speelden met de chauffeur onder een hoedje... in elk geval hoorden ze niet in deze bus thuis. Twee bankjes ervoor zaten twee vrouwen van middelbare leeftijd naast elkaar, omringd door tassen en plastic draagzakken waar groenten uit staken. Ongeveer in het midden van de bus was een setje stoelen dat tegenover elkaar opgesteld was, van verschillende kleuren, en op het stoeltje in de rijrichting zat een jonge vrouw. Ze was gekleed in een lange Kasjmir overjas, kastanjebruin, en ze droeg een gebreid en bontgekleurd mutsje. Naast haar stond een grote zwarte koffer, onmiskenbaar voor een cello bedoeld. Onbewust van hun muzikale overeenkomsten, koos de accordeonist de stoel tegenover haar. Veel later zou hij zich afvragen waarom hij juist daar was gaan zitten; waren de luidruchtige meiden ook voor hem te rumoerig, had hij geen zin gehad om met zijn gezicht in de rijrichting te gaan zitten, of had hij een klik gevoeld bij de mooie vrouw omdat ze een muzikale koffer bij zich had? Hij wist het niet. De bus zette zich nogal nadrukkelijk in beweging. Klaarblijkelijk zat er weer eens een nieuwe vrijwilliger achter het stuur, iemand die weliswaar de wettelijke papiertjes had kunnen overleggen bij het vervoersbedrijf, en die de laatste tien jaar schadevrij was geweest (vermoedelijk omdat hij nauwelijks de weg op ging..) en dus geheel en al voldeed aan het profiel van de ideale buurtbus-chauffeur. Dat hij met een dergelijk gevaarte nog nooit een meter had afgelegd, was enkel een vervelende bijkomstigheid die met het voortschrijden van de tijd automatisch gecompenseerd zou gaan worden door de broodnodige ervaring. De passagiers zouden daarbij eveneens vrijwillig dienstdoen als lading om het vereiste gewicht in de schaal (beter: de schaalzittingen) te leggen. En omdat deze chauffeur verkoos om zijn koppelingspedaal krachtig en overtuigend omhoog te laten vliegen - ongeveer op het moment dat de accordeonist zijn zitvlak in de richting van het stoeltje bewoog - werd deze actie op brute wijze als gevolg van natuurwetten gewijzigd in een rechtstreekse aanslag op het mutsje van de vrouw. Daarbij kon hij niet voorkomen dat hij zijn handen om haar hals sloeg en met zijn neus in het breiwerk belandde.....hevig geschrokken sprong hij omhoog en stamelde met een knalrode kop “Oejoejoej toch, oejoejoej toch…” totdat hij zich realiseerde dat dit nu werkelijk niks was, “noch vleesch noch visch..” zou Marnix gezegd hebben. Hoe moest zij daar nu in godesnaam een verontschuldiging uit op kunnen maken ? Hij zweeg dus maar wijselijk. Snel ging hij op het blauw-plastic schaalstoeltje zitten, en staarde even beteuterd in de ruit, hij durfde haar gewoon niet aan te kijken. Maar juist daar ontmoetten hun ogen elkaar, zij keek met een geamuseerde blik ook in de ruit om zo zijn beschaamde gevoel wat te verzachten. "Geeft niet, hoor.." kon hij verstaan, en ze legde even haar hand op de zijne. Ook zij had met haar neus in zijn haar gezeten tijdens de woeste aanranding van haar mutsje... de geur van een zeer mannelijk lotion… het beviel haar wel. Ze leunde met een glimlach terug, en haar gedachten gleden langzaam achteruit, terug naar ....

 

Bijna vijfentwintig jaar eerder

 

"Plientje, kom je?" De stem van haar grootmoeder klonk over de schots en scheef liggende kinderkopjes van het boerenerf. Ze moest gaan eten, en daarna oefenen op haar viooltje. Maar ze had eigenlijk veel meer zin om bij het kleine pasgeboren kalfje te blijven, dat in het stro lag en zo nu en dan wankel op zijn pootjes overeind kroop en zijn eerste pasjes probeerde. Het was zo lief, zo'n jong leventje, en hij (het was een stierkalfje) keek ook steeds naar haar, net alsof hij wilde zeggen "kijk eens wat ik al kan.." Ze was er vaak, buiten tussen de beesten, de mesthoop, de voederbakken, de machines en de karren. De boerderij gaf haar een gevoel dat ze nergens anders had, een vervulling van vreugde en tevredenheid. Het maakte nooit uit wat er gebeurde, alles was spannend en mooi. De geboorte van een nieuw beest was een vrolijkheid. Het doodgaan van een oude koe of van een pasgeboren veulen was droevig, maar nooit eenmalig: het hoorde er net zo bij als de vrolijke gebeurtenissen, en daardoor was het makkelijker te verdragen. Waar ze slecht mee uit de voeten kon, was het onverbiddelijke waarmee haar opa over leven of dood besliste. Was er een varkentje, een gans, of een konijn, dat aan de beurt was, om te worden opgegeten, of te moeten sterven omdat het te zwak was, of ziek, of ongewenst, dan gebeurde dat. Zonder pardon, en zonder een blijk van emotie. Opa “ruimde op”. Pauline wist er nooit raad mee. Telkens wilde ze boos worden op haar grootvader, en het leek wel of hij dat aanvoelde. Want zodra ze met een betraande snoet bij hem in de buurt kwam, nam hij haar bij de arm en ging op de grote steen zitten die op de hoek van het erf rechtop stond, om te voorkomen dat al te ijverige knechten de tractor in de keuken zouden parkeren. En dan sprak hij stillekes tegen haar over het beestje dat zojuist het aardse leven had ingeruild voor een beter bestaan; althans, zo voelde het als hij haar had uitgelegd waarom het moest gebeuren. Steeds weer moest ze toegeven dat het beter was voor de koe of de gans, omdat Opa dat zo duidelijk kon uitleggen, dat hij dus gelijk had gehad.. en dan was haar verdriet gelijk een stukje minder.

 

Zo groeide ze op in een wereld van buiten. Van de weken waarin ze niet naar school hoefde, was ze geen dag thuis bij vader en moeder, maar altijd op de boerderij, een kleine twintig kilometer buiten de stad waar ze woonde, en ook elk weekend werd op de boerderij doorgebracht. Haar ouders zagen hoe ze naar het buitenleven verlangde, en omdat ze op school ook haar best deed en niet met de pet ernaar sloeg, legden ze haar geen strobreed in de weg; vader bracht haar meestal op vrijdagavond naar de ouders van zijn vrouw. En op zondagmiddag kwamen ze beiden op bezoek bij Opa en Oma, en namen haar dan mee terug nadat ze samen gezellig hadden gegeten; Pauline genoot van dat ritueel, en in het korte ritje terug naar de stad sloot ze haar ogen achterin de

auto, en liet het weekend nog eens snel langs vliegen. Ze had er een eigen zolderkamertje, en zelfs een tweede viool, die haar vader tweedehands op de kop had getikt en die goed genoeg was voor de oefeningen, waar ze nooit verstek in liet gaan. Want net als de liefde voor het buitenleven, had ze een soort van afwijking voor het fragiele strijkinstrument. Geen dag ging voorbij of ze had even, of langer dan even, de snaren beroerd en de oefeningen doorlopen die ze van haar muziekleraar op gekregen had als huiswerk. Elke woensdagmiddag ging ze vanuit school, zonder te eten, direkt naar de muziekschool die op een kwartier lopen vanuit haar school lag, en waarvoor ze ‘s morgens de koffer met haar goede instrument mee naar school moest dragen, samen met haar schooltas. Ze mocht het instrument, dat in tegenstelling tot het tweedehandsje bij Opa en Oma, eigenlijk een klasse instrument was, niet echt. Het was een Boheemse viool, van de vioolbouwer Rudolf Goss, die hem in 1913 gebouwd had. Haar vader had hem via een kenner aangeschaft toen duidelijk werd dat Pauline meer dan gemiddeld in het vioolspelen geïnteresseerd was. Hij vond het de investering blijkbaar wel waard.

En omdat het een kostbaar instrument was, was de oplossing om hem mee naar school te nemen en vervolgens naar de muziekschool te verslepen, een doorn in haar vaders oog. Pauline begreep dat niet; wie zou er zich nu druk maken om zo’n “jankkast” zoals de viool door haar klasgenoten werd betiteld. Ze voelde wel het grote verschil tussen deze viool en de oefenbak, zoals ze de tweedehandse noemde die bij haar grootouders lag. Weliswaar had die raar gevormde stemschroeven, en in het binnen schild stond: Carl Friedrich Lippold, ze dacht dat het een soort stickertje was van de winkel waar hij vandaan kwam. Opa vond hem mooi, hij zei telkens dat hij goed zou passen bij zijn barokstoeltjes in de woonkamer. En zelf vond ze die oude bak eigenlijk mooier en warmer klinken dan haar dure Bohemer, waar ze de muzieklessen op volgde.

 

De bus nam een drempel. De accordeonist hupte op zijn blauwe stoeltje mee met de op-en-neer beweging van het gevaarte, en zag tegelijkertijd het bonte mutsje tegenover hem ook opveren. Omdat het zo koddig uitzag moest hij glimlachen, en op dat moment keek zij hem echt aan. Vragend, verbaasd, vermakelijk, hoe zou je het noemen ? Hij schrok opnieuw, en snapte er niks van. Waarom was hij toch ineens zo’n watje? Daar waar hij nooit om een woord of een grap verlegen zat, om zich uit een netelige situatie te redden, zat hij nu hopeloos met een mond vol tanden tegenover een bontgekleurd mutsje, met daaronder twee grote donkerbruine ogen die hem steeds guitig in bedwang probeerden te houden. Hij keek weer opzij en zijn gedachten namen het ritme aan van de dieselmotor van de bus, die als een notoire metronoom dreunde alsof hij de maat aangaf van een intro. Zijn vingers begonnen op zijn knie te trommelen, de melodie ontwikkelde zich, het tempo van de bus klopte niet en dus vond hij dat de chauffeur te veel gas gaf. Alsof deze dat had aangevoeld, ging hij op de rem om de volgende verkeershindernis te nemen, een koppel omgevallen vuilnis-containers die niet door de bewoners naar binnen waren gehaald. Waarschijnlijk van tweeverdieners met een kind op de buitenschoolse opvang die pas na zevenen thuis kwamen, waardoor wind en regen vrij spel hadden met hun containers en deze prompt over de weg heen bliezen. In dit geval een gunstige gebeurtenis, want het tempo van de hamerende dieselmotor klopte nu perfect met de compositie die zich in het hoofd van de accordeonist ontwikkelde. Het was een onstuimige melodie, er zat een soort van gevaar in. Grommende achtergrond, dreigende toon, de bus deed ook zijn best om grommend tegen de storm in te vechten en zijn kostbare lading op hun bestemming te brengen. Zo rolde ook de melodie door zijn hoofd, het stuk moest je ergens “afleveren”, het had een opdracht. Thuis zou hij het direct vastleggen, zoals hij meestal zijn inspiraties met enkele snelle notities op notenpapier en enkele woorden die karakter en tempo moesten aangeven, wegschreef nadat ze in zijn hoofd waren ontstaan. En een aantal van die

inspiraties kwamen later tot leven in heuse arrangementen, eerst voor collega’tjes in zijn jonge jaren en nu was het zelfs een bron van inkomsten voor hem geworden. Hij legde zijn hoofd tegen de ruit, en zijn gedachten gingen achteruit, naar...

 

Vijftien jaar geleden

 

Hij had een uitgever gevonden toen hij 18 was, doordat die in de zaal zat van een concert op de scholengemeenschap waar hij een economische opleiding volgde. De uitgever was de vader van een tweeling die ook in zijn klas zat, en die in het geheel niets van muzikale genen van hun vader hadden meegekregen. Maar ze (het waren twee meiden) vonden hem wel een stuk, en dus hadden ze hun vader meegevraagd op het concert, zodat die hem zou ontdekken en waardoor hij dan wellicht bij hen over de vloer ging komen.. en zo geschiedde. Een streep door de rekening van de meiden was dat er in het volgend schooljaar in hun klas een mannelijke tweeling instroomde die nog veel leuker was en vice versa, maar ook totaal onmuzikaal. En zo was de weg naar bij-hun-thuis bezet door een ex-leuke enkeling die het verduveld goed met hun vader kon vinden. Hij had er wel schik in, want niet alleen zijn muzikale talenten waren bovenmatig ontwikkeld; ook de sociale wereld om hem heen hield hij goed in de peiling. Maciel, de uitgever, hield bijzonder van Keltische genres. Vroeg-Keltisch, wel te verstaan, de bijna onbegrijpelijke Gaelic teksten die over goden, heksen en onmogelijke verhoudingen verhaalden en op magische instrumenten als tin-whistle, een onooglijk kleine fluit met maar zes gaatjes, de vedel, een voorloper van de viool, en de wonderbaarlijke draailieren die eigenlijk Scandinavische basic’s hebben maar toch zo verwant zijn geraakt aan de doedelzakken door hun bourdonsnaren, in een kwint of een octaaf gestemd, en daarmee de zo geliefde of gehate drone te produceren, de aanhoudende en dragende grondtoon die bij de doedelzak door evenzo gestemde schalmeien werd gemaakt, en waardoor de muziek zijn typische gedragingen kon krijgen.

Maciel heette eigenlijk gewoon Machiel, maar een schrijffout op het gemeentehuis had hem deze mooie Keltisch klinkende naam geschonken, en dat had hij altijd zo gelaten. De accordeonist hield zelf meer van laat-Keltisch, de Island-Celtic stijl van de 18e en 19e eeuw die meer folk in zich had, bekender in de huidige bevolking, muziek die in de pubs en nu ook op de podia werd gezongen. Hij had een Sardijnse accordeon op de kop getikt, een diatonisch instrument dat je wissel-tonig moest bespelen, zoals een mondharmonica. Bij het uittrekken van de balg produceerde dezelfde toets een andere toon dan bij het indrukken. Voor een doorgewinterd muzikant op een gewone accordeon, waarbij dit niet het geval was, bracht het omschakelen naar zo’n instrument een heel aparte dimensie, je werd erdoor intenser in de muziek gesleept. De Keltische composities leken om zo’n instrument heen te zijn geweven; speelde je het zelfde stuk op een accordeon, dan kon je lang niet zo doordringen in de sfeer van de stukken. Dat vond hij tenminste.. Samen zaten ze vaak uren over dit soort gevoelens te bomen, en hun liefde voor deze muzieksoorten deed hun totaal verschillende achtergronden verdwijnen en maakte dat ze elkaar zo goed aanvoelden. Als hij dan een compositie uitwerkte en voorspeelde, zei Maciel feilloos wat de accordeonist voelde en wat het stuk moest vertellen. En vervolgens schaafden ze samen zolang totdat het arrangement uitgebracht kon worden. Ze speelden het vaak samen door, ondanks het feit dat Maciel een erbarmelijk slecht muzikant was en alleen wat slagwerk beheerste, waaronder de bohdran, de handtrommel met het spanvel. En het was vooral op die momenten dat de accordeonist het gemis voelde van een soul mate, een echte muzikant die ook kon meevoelen wat hij bedoelde, en dat ook kon uitbeelden. Een snaarinstrument, dat zou pas machtig zijn

 

Bijna Kerst 20XX

 

De bus nam een drempel. Zij hupte op haar gele stoeltje op en neer met de beweging van het gevaarte, en zag tegelijkertijd de accordeon-koffer tegenover haar opspringen en tegen het scheenbeen van zijn eigenaar vallen. Vreemd had ze de keuze gevonden van blauwe en gele stoeltjes. Het leek wel alsof ze bestemd waren voor de verschillende geslachten. De jonge luidruchtige meiden achterin de bus zaten ook allemaal op gele zeteltjes, en de beide huisvrouwen ook. Raar...

 

Door de drempel waren de mijmeringen over haar jeugd op de boerderij verdwenen, en keerde ze bruusk terug in het heden. Ze schikte zich een beetje in haar zeteltje na die laatste aanvallen van de zwaartekracht. Onwillekeurig ging haar blik van de accordeonkoffer tegenover haar naar zijn eigenaar, de onmiskenbaar mooie man die beslist al een boel had meegemaakt in zijn leven. Er hing een soort aura om hem heen, hij straalde iets uit en alleen zij kon dat zien. Tenminste, de meiden achter in de bus, alsook de chauffeur, en de twee medereizigers die gelijk met haar waren ingestapt, allebei een geel zeteltje hadden genomen schuin achter haar, twee druk kwetterende vrouwen, die vast de lokale markt hadden bezocht, geen van allen had belangstelling in de man tegenover haar. Ze begreep daarom niet goed waarom hij zo raar deed, net alsof hij schrik van haar had. Zodra ze oogcontact hadden, keek hij snel opzij om haar te ontwijken. Een gesprek aanknopen leek haar zo onmogelijk. Ze zag hem trommelen op zijn knie, en vond dat hij mooie slanke en ook lange vingers had. Ze besloot om er verder maar geen energie in te steken; per slot van rekening hadden mannen haar al vaker de nodige hoofdbrekens bezorgd; eerst vol aandacht, dan ineens weer ontwijkend, net alsof ze haar niet konden volgen, vooral als ze over muziek begon. Onbewust begon ze op het ritme van de motor van de bus een liedje te neuriën, het begon in haar hoofd te zweven, maar de bus reed te hard. Ze begon haar hoofd heen en weer te bewegen op het melodietje, maar al snel stopte ze ermee omdat het op een spastische beweging leek. Wat ze in haar hoofd hoorde, de streken van de bas-cello die een soort van drijvende kracht ontwikkelden waarop een subtiele melodie kon dansen die een verhaal wilde vertellen, al zo vaak had ze geluisterd naar de indringende verhalen die allerlei volksmuziek plachten te verkondigen en telkens weer was ze erg gevat door vooral de Keltische liederen, met hun klaaglijke en toch zo melodieuze tonen, de steeds weer terugkerende herhalingen, en de machtige uithalen die de kern van een verhaal zo

nadrukkelijk bij de luisteraar moesten brengen. En steeds weer dacht ze hoe in die verhalen van schalmei, tin-wistle, bohdran, doedelzak en accordeon, die mooie cello werd gemist. Oh ja, zeker was daar de viool of de lier, die hun rol opeisten, maar zelden het zware snaarinstrument waar zijzelf zo enorm haar gevoel in kon leggen, zodat het eruit spatte en de omgeving deed besproeien met haar boodschap. Ze was er bijna vanzelfsprekend op overgestapt nadat ze haar viool tot in de finesses beheerste, en in de loop van de jaren had de cello haar meer gaan boeien dan het kleinere snaarinstrument. Natuurlijk wist ze dat ze een beetje tegen de stroom in roeide; composities gaven zonder hulp nauwelijks ruimte voor de cello, een historie had het instrument voornamelijk in de westerse muzieksferen, bij kamer- en grote strijkorkesten, ingebed in composities van klassieke componisten met klinkende namen als Brahms, Mozart, Schubert, Rachmaninov, de mannen die van de kolossale orkesten gebruik maakten, de kakafonie van tonen en klanken, en waar zij hun eigen grootheden in bereikten. Maar bijvoorbeeld van Helen-Anne Ross, de Schotse celliste die zo ingetogen haar Keltische muziek kon brengen om daarmee mensen tot rust te brengen, om er een helend effect mee aan te bieden, daar hadden toch veel te weinig mensen van gehoord. Ook het levensverhaal van Helen, die borstkanker kreeg en overwon, werd door haar met diezelfde cello verteld. En dat was zo iets bijzonders, iets waar alleen bijzondere mensen in geïnteresseerd raakten. Maciel was zo’n bijzonder iemand. Hij was de man van haar tante Jen, de jongste zus van haar moeder en ook een boerderijmeiske die vroeger nog met de hand had gemolken; met haar trok ze het meest op als Opa geen tijd had. Toen Jennie met Machiel trouwde (hij heette toen nog zo, tot een ambtenaar hemeen nieuwe naam bezorgde..) kon Pauline het direct goed met hem vinden, en nu ze zelf voor haar beroep in een symfonieorkest speelde, kwam het heel goed uit dat hij uitgever was geworden van bladmuziek. Ze kon uren met hem bomen over composities en arrangementen die ze zelf uitprobeerde. Zijn twee dochters kwamen dan ook wel eens luisteren, een tweeling die zelf ook was getrouwd met een tweeling van het andere geslacht, maar die vreselijk a-muzikaal waren. En bij dat delibereren met Maciel over de muziekculturen van de Ierse en Schotse overlevering, voelde ze ook regelmatig dat grote gemis. Iets dat ontbrak aan haar muzikale gevoelswereld. Hoe graag zou zij een boodschapper zijn om met haar cello de wereld verder te informeren en dan liefst met een soul mate, iemand die haar cello-klanken kon aanvullen en ondersteunen.

 

Alsof de chauffeur voelde wat er in haar hoofd ronddanste, zijn tempo ging wat omlaag, want haar cello zou dit nooit goed kunnen volgen. Nu wel, en haar hoofd ging nu in het juiste tempo heen en weer. De melodie ontstond, haar stembanden begonnen te trillen, neuriënd en zwevend, een geluid zweefde stil door de bus en bereikte niet alleen de meiden op de achterbank, maar ook de trommelvliezen van de accordeonist.

 

Eerst wist hij niet goed waar het geluid vandaan kwam. Immers was hij druk bezig met op zijn benen te trommelen en de prachtige ogen van zijn overbuurvrouw in het geel-plastic stoeltje te ontwijken, zodat hij niet hoefde te vechten tegen het natuurverschijnsel “verliefd worden” want daar had hij eigenlijk veel te veel last van. Musicus als hij was, zaten er in zijn lijf veel teveel ingrediënten opgeslagen die de schoonheden van het leven wisten te vangen. Of dat nou mooie muziek was, een goed gezegde, een mooi gedicht of een indringende blik, er waren gewoon zoveel schoonheden om je heen als je er het juiste oog voor had. Een kolossaal aantal mensen had dat gewoon niet, die

waren veel meer bezig met materiele zaken zoals meer. Meer omzet, meer aandacht, meer eigendom, meer geld, meer succes, awel, als je er maar “meer” voor plaatste en ze betaalden daar hoge prijzen voor. Als hij er bij toeval eens over te spreken kwam met een vriend of een kennis waarmee hij een pintje of een koffie kon vatten, dan kwam hij al snel tot de conclusie dat hij de waarden des levens aan hele andere rijkdommen ophing dan zijn gesprekspartner-van-dat-moment. Die kon bijvoorbeeld niks voelen bij het feit dat een prachtig gezongen fado hem veel vreugd en bevrediging kon brengen. Zoveel, dat hij er een gevoel bij kreeg als een hond die een koekje krijgt van zijn baasje en die vergelijking was voor veel vrienden een brug te ver. Geef hen maar een champagne-party-met-gevolg, liefst georganiseerd door de baas, of de baas-van zodat je er nog een paar weken lang je status ermee in stand kon houden of opvijzelen...

 

Enfin, hij concentreerde zich weer op dat onverwachte en onaangekondigd melodietje dat er door de bus zweefde. Zijn ogen zwaaiden terug van de spiegeling van de ruit naar zijn overbuur, het kleurrijke mutsje dat nu een ritmische beweging van links naar rechts maakte, en dat daarbij ook nog redelijk zuiver samenviel met het melodietje dat hij opving.. Niet toevallig dus? En waren het niet Keltische klanken? Hij zou er zijn bontmuts onder verwedden, ondanks het feit dat die nog thuis op zijn kapstok hing. Juist wilde hij er meer van weten, toen…

 

Een ongewenste intimiteit..

 

Voor alle deelnemers van de bus was de klap eigenlijk even dramatisch. Net zo plots als het kwetteren van de markt-dames, het gegiebel van de meiden op de achterbank, als wel het melodietje van het mutsje en het ritmisch geroffel van de accordeonist, kwam de rempoging van de buschauffeur tot een kansloos einde toen de kleine bestelwagen, die van rechts kwam op een kruising, die ongeveer twintig jaar een voorrangskruising was geweest waarbij het busje had moeten stoppen, maar waar het nu ineens voorrang had, doorreed. Waardoor er de onvermijdelijke klap volgde, waarmee de neus van het busje zich in de zijwand van de bestelwagen boorde, die chauffeur in opperste verbazing liet, want hij had toch voorrang? En de andere chauffeur in opperste stress, vanaf het ogenblik dat hij zag dat zijn bus de tegenstander “op de hoorns” nam en gelukkig niet in elkaar kreukelde als een stroopkoek. Wel was hij een beetje verbaasd dat hij in de rug werd aangevallen door twee koffers, een vierkante met een schuine bovenkant, en een koffer met uitermate vrouwelijke kenmerken: breed van boven, breed van onder en een wespentaille.

 

Later zou hij beseffen dat hij deze indrukken in fracties van seconden had opgedaan, zoals talloze fragmenten van het ongeluk de revue zouden passeren en dan telkens weer een beetje anders dan de vorige versie. Maar de koffers, die veranderden niet...die kwamen telkens weer onverbiddelijk langs vliegen. De meiden waren bij gebrek aan veiligheidsgordels, redelijk hard door de bus gevlogen en elk ergens in de buurt van de chauffeur tegen het dashboard bij de instapdeur neergesmakt. Niemand werd daarbij ernstig gewond, wat eigenlijk wel een wonder leek gezien de klap waarmee ze aan de voorkant van de bus arriveerden, onder het slaken van akelige gillen.

 

De celliste was ook ingedekt. Zij knalde vanuit haar gele zeteltje, regelrecht in de armen van haar overbuurman. Dat hij daarbij opnieuw onzacht kennismaakte met haar mooie jukbeenderen, en erger nog, een stevige afdruk van haar goedverzorgd gebit in zijn hals, wel, dat was eigenlijk zo’n beetje zijn probleem. Het mutsje miste hij ditmaal. Het leek een herhaling van het scenario bij het wegrijden eerder, echter in de omgekeerde richting. Ze was al lang blij dat er geen kreunende en gewonde medepassagiers te zien waren na de onverwachte klap, en hoopte ook niet iets dergelijks aan te treffen aan de buitenkant van de bus; ze was driftig bezig zich van haar overbuur in het blauwe stoeltje te ontdoen om te kijken of er slachtoffers waren. In die haast nam ze de halsketting van hem maar gewoon mee; ze had hem eigenlijk zo half tussen haar tanden geklemd, feitelijk geen tijd om zich goed te realiseren wat ze in een opwelling ging doen.

 

De accordeonist was eigenlijk het grootste slachtoffer in dit drama. Omdat hij met zijn rug in de rijrichting van de bus zat, klapte hij met zijn hoofd achterover toen de bus zijn tegenstander ontmoette, en op het moment dat hij, gelukkig zonder moeite, zijn hoofd terug kon oprichten, werd hij onaangenaam verrast door de aanval van het mutsje. Haar hoofd kwam als een komeet op hem af op het moment dat hij besloot om blij te zijn over zijn overleven uitwijken was beperkt mogelijk, haar gezicht begroef zich in zijn nek, en onwillekeurig sloeg hij zijn armen alweer breed om haar bovenlichaam dat hem met geweld in zijn blauwe zitje drukte. Later zou hij zich herinneren dat hij de fabrikant van deze zitjes wilde kennen; ze moesten wel beresterk zijn en ook dat hij zijn naamketting kwijt was.

 

De celliste had haar accordeonist losgelaten, en toen zij merkte dat al zijn levenssappen nog stroomden, ging ze snel naar het punt van collisie daar waar de vijf meiden en een chauffeur op een hoop lagen en de voorruit volledig verbrijzeld was. Haar cello-koffer miste zij op dat moment helemaal niet. De meiden waren zich aan het ontwarren, eentje stond al rechtop, ze trilde over haar hele lijf en huilde dikke tranen. De andere vier kropen nog over elkaar heen en er werden de nodige stoute woorden gebezigd, categorie “vloeken alsof de duvel op hun hielen zat” daarbij zag ze al snel dat ook hier de schade beperkt was tot gescheurde kleren, afgeknapte oortjes van hun MP3-spelertjes en meer van dat materiële. Maar geen gewonden; de chauffeur was wel aangeslagen, hij zat half onder zijn stuurwiel geschoven en mompelde steeds maar weer: “waar kwam die nou toch vandaan?”. Ze rammelde voorzichtig aan zijn schouder, gelukkig keek hij op en kwam weer bij zinnen. “Bent U gewond, heeft U ergens pijn?” vroeg ze. “Ik geloof het niet.” sprak de chauffeur en begon uit zijn benarde positie te klimmen. Ze concludeerde dat ook hier geen eerste hulp nodig was, en wonder boven wonder kwam het geen moment bij haar op om zichzelf eens even te checken, zo merkwaardig rustig nam ze alles in zich op en deed wat ze belangrijk achtte. Voorzichtig kroop ze door de verkreukelde voordeur naar buiten en liep naar de bestelbus waar ze zo onzacht kennis mee hadden gemaakt. Al snel zag de dat het om een busje van een aannemer ging, met andere woorden, er zat of zaten niet een boel mensen in, enkel goederen. Gelukkig alweer.

 

Ze liep naar de voorkant, en zag de chauffeur die min of meer versuft over zijn stuur geleund zat te kreunen. Ze riep tegen hem of hij iets mankeerde, en blijkbaar bracht hem dat tot zijn positieven. Het enige, zei hij, waar hij last van had, was een loodzwaar gevoel in zijn rug. Ze kwam dichterbij, en zag de oorzaak daarvan: haar cello-koffer had zich dwars door de voorruit van het buurtbusje geboord, op een haar na het hoofd van de aannemer-chauffeur gemist en hem strategisch vastgeklemd tussen zijn eigen stoel en het stuurwiel. Hij was snel bevrijd, maar ze wist via de inmiddels gearriveerde mannen van Hermandad wel te bereiken dat de koffer als bewijsstuk werd afgevoerd, zodat de kostbare inhoud tenminste veiliggesteld was voor de een of andere afsleepdienst of opruimploeg.

 

Vijf maanden later.

 

De accordeonist had zijn instrument voor de derde keer opgehaald bij de muziekzaak waar de kast gerepareerd zou worden. De klap in het busje had eigenlijk niet zo veel schade aangericht, maar de accordeonist vond dat er wat met de klank was gebeurd. Dat kwam mogelijk doordat de koffer bij het wrak van de buurtbus was opgeladen en daarin had hij wel vier etmalen in een koude en vochtige loods gestaan, voordat hij door zijn eigenaar was opgespoord. Zodra hij probeerde om de zo bekende klaaglijke klanken van de Keltische bass drone te benaderen, gaf het instrument een vreemde piepklank, als of het die klankkleur niet aankon. De reparateur kon er niks mee. De kast deed wat hij moest doen, alle ventielen werkten en er was er niet één vals. Moeilijke klanten

had hij eigenlijk wel meer, dus ongerust werd hij er niet van. Het was meer een kwestie van komt tijd, komt raad.. En wellicht zou de muzikant eens bij zichzelf moeten zoeken?

 

Ook vijf maanden later.

De cello was inmiddels bij zeker vier stemmers geweest. Elke deskundige deed

een verwoede poging om te ontdekken wat de mevrouw nu eigenlijk bedoelde met “die rare pieptoon” die het instrument produceerde als ze Keltische stijl uitprobeerde en daarbij de drone van een doedelzak na wilde spelen. Het was alsof het instrument zich ertegen verzette. Maar hoe zeer de stemmers ook hun best deden, niemand kon iets afwijkends aan de cello vinden. De laatste stemmer had de klankkast zelfs bij een gespecialiseerd bedrijf laten doorlichten om haarscheuren in het hout uit te sluiten. Niks, noppes. Hij vond haar echt zo'n klant van “laat de tijd maar de oplossing brengen....” Misschien was ze niet zo’n goede celliste als ze zelf dacht ..

 

Herfst 20xx plus een, Killin, Schotland.

 

Het minuscuul kleine dorpje met de stenen brug over het riviertje de Tay, dat vijftien kilometer verderop in het Loch Tay uitmondde, was de plek van samenkomst van een jaarlijks terugkerend muziektreffen. Het Killin Music Festival in de bar achter het Coach House Hotel was bekend bij elke liefhebber van de traditionele Celtic muziekstijlen. Vaste artiesten als Full Steam Ahead, The Minogue Brothers, Haggerdash en Bugsey MacLean luisterden het festival op, gespeeld op een podium dat bestond uit de banken langs de muur bij de entree, gecombineerd met enkele tafeltjes en stoelen die welwillend door het publiek afgestaan moesten worden. Terwijl achter in het omgebouwde koetshuis annex paardenstallen, de kasteleinsvrouwe met de traditionele bierpomp de pints en de half-pints in de glazen pompte, bouwden artiesten en publiek samen het podiumpje op en sloten de kabels en microfoontjes aan. Vervolgens ontstond er in die ambiance altijd een sfeer die je gewoon nergens anders kon terugvinden. Vanaf de eerste tonen die uitgestrooid werden over de hoofden van de liefhebbers, sommigen zaten aan een maaltijd, anderen zwaaiden boven de hoofden van de etende gasten vervaarlijk met hun bierpullen, vanaf dat eerste moment was "everybody happy" en ging het alleen maar voorwaarts met de gezelligheid.

 

Op de derde avond van het festival liep het cafeetje langzaam maar zeker vol met gasten die naar het optreden van een bekend duo kwamen kijken. Ook de accordeonist stond in de rij voor een kaartje. Immers, Kevin Evans, de zoetgevooisde singer-songwriter zou samen met zijn partner Brian Doherty optreden. Brian, die een keyboard of een accordeon kon bewerken alsof het een instrument was dat door de Kelten was uitgevonden. Zijn inspiratiebron was hij, de voorgaande vijf jaren had hij geen enkele keer de avond gemist waarop beide heren het kleine podium beklommen en het kennerspubliek tot grote hoogten en in een euforische stemming wisten te brengen, telkens weer. Maciel had hem daarvoor ook nog getipt, toen hij met hem het ellendige klank-euvel had besproken.. Daarom hoopte hij nu op een gesprekje met Brian, hem het probleem te kunnen voorleggen, misschien had hij wel de gouden tip om hem van de vreemde pieptoon te kunnen verlossen

 

Hij vond een plaatsje langs de buitenwand, waar de lange banken aan de lambrisering waren gemonteerd zodat je altijd gezellig met een hele batterij buren was gezegend. Zijn ogen namen zijn omgeving op, allerlei pluimage was afgekomen op de voorstelling van Kevin en Brian. Schuin tegenover hem, op een van de losse stoelen achter de lange tafels, zat een meisje alleen. Hij had haar al gezien in de rij voor de kaartjesverkoop, ze stond een paar plaatsen voor hem, en op een of andere manier kwam ze hem bekend voor. Maar ze was beslist niet het enige bekende gezicht, want met zo’n geselecteerd publiek kwam je elk jaar weer dezelfde liefhebbers tegen. Hij liet het even voor wat het was, en besloot om van zijn eerste half-pint te gaan genieten. Het zou nog wel een half uurtje duren voordat beide artiesten hun muzikale geweld zouden gaan uitspreiden. Maar haar donkere ogen bleven toch een beetje zweven in zijn gedachten, waar had hij haar toch eerder gezien?

 

Omdat Pauline al van verschillende vrienden en muzikale collega’s, en haar oom Maciel had gehoord over het Killin Festival, had ze dit jaar besloten om haar vakantie eens richting Schotland te laten gaan. Ze had er een kamertje genomen in het kleine dorpje zelf, in Fairview House, een verbouwde Victoriaanse villa met een heel vriendelijk echtpaar als gastheren, met een Bed & Breakfast arrangementje. Op advies van een collega van haar tweeling-nichtje op het kantoor van het verzekeringsbedrijf waar ze werkte. Omdat die collega wel van de Schotse Highland hield, maar helemaal niks met de muziek had, moest ze voor de programmakeuze wel op haar eigen gevoel afgaan. En omdat er nu eenmaal niks met cello te vinden viel op de menukaart, was haar blik gevallen op de referenties die Kevin Evans en Brian Doherty hadden achtergelaten. Ze had in de lijst van muzikanten waar Kevin mee werkte naast zijn optredens met Brian, ook de naam van de groep Castlebay aangetroffen, waarvan het vrouwelijke bandlid Julia Lane een zeer veelzijdige muzikante was met onder andere harp, fiddle en ook cello in haar bagage; van deze Julia had ze al vaker arrangementen in de muziekzaak gekocht. Maciel had haar al vaker over Castlebay verteld, hij gaf er diverse arrangementen van uit in heel Europa. En wie weet, misschien zou Kevin Evans een babbeltje met haar willen maken, zei hij, waarbij ze hem beslist zou kunnen vragen naar het merkwaardige verschijnsel van de overslag in haar eigen instrument. Immers, het festival stond bekend om de intimiteit en de benaderbaarheid van de muzikanten.

 

Twee uur later werd de eerste pauze afgekondigd, het publiek was al goed voor gewarmd met een serie tex-mex achtige nummertjes, veel gitaar en vocals, maar nog weinig Keltische sferen. Het mocht niet deren, beide mannen voelden feilloos de stemming aan en wisten hoever ze konden gaan voordat de inheemse ballades uit de instrumentenkoffers getrokken moesten worden. Met een pint in de hand stond Brian in een geanimeerd gesprek verwikkeld met de accordeonist die hem alvast bedankte voor het eerste deel van het concert, wat hem betrof kon de avond eigenlijk al niet meer stuk. En al gauw ging het gesprek ook over zijn eigen muzikale carrière, zijn bandjes waarin hij had gezeten, en uiteraard ook over de piep. Want daar had hij natuurlijk op gemikt. En zowaar, de Schot lachte hem niet uit, en ging ook niet met een smoes op een ander onderwerp over. In plaats daarvan fronste hij zijn voorhoofd, bracht zijn vinger naar het tipje van zijn neus en sprak enigszins mysterieus de woorden “lack of synergy..” wat het ook mocht betekenen. Enigszins teleurgesteld werd het gesprek beëindigd, de groep zou hun tweede deel gaan doen. Toen hij ging zitten zag hij weer het bekende meisjesgezicht schuin tegenover hem, klaarblijkelijk had zij een onderonsje met Kevin gehad. Blijkbaar niet prettig, want ook zij keek wat beteuterd voor zich uit...

 

Om de hoek van de zaal onder de grote spiegel waar een grote shamrock op was geëtst, het bekende Schotse klavertjevier, had Pauline de songwriter weten aan te klampen door hem op een pint te trakteren die ze net voor de pauze had besteld; ze was best wel een beetje trots op deze strategische zet die ze eigenlijk tijdens het laatste liedje had bedacht, want hoe kom je in gesprek met een artiest waar de hele zaal wel mee wil babbelen? Enfin, het was gelukt, en ja, Julia Lane kende hij heel goed. Haar cello-experimenten bevielen hem zeer, zeker omdat het instrument zo oneigenlijk was in de Keltische tradities, maar toch zoveel kon toevoegen mits met het juiste gevoel. Ze had terloops haar eigen verrichtingen genoemd, en hij was prettig verbaasd en onder de indruk, zeker toen ze over haar Goss en Carl-Friedrich violen vertelde; Kevin had zelf ook op een Friedrich les gehad, en wist nog goed hoe fijn het instrument in zijn jonge oren had geklonken hetzelfde gevoel als zij ermee had gehad, en dat gaf een leuke klik. Toen over de piep in haar cello.. Kevin keek direct ernstig, hij lachte haar niet uit over zoiets onnozels, maar zelf vond ze het meteen al vervelend dat ze het had aangeroerd. Ze had er onmiddellijk spijt van gehad, maar tot haar verbazing wees Kevin met een vinger eerst naar haar voorhoofd, en vervolgens naar haar hart, en sprak met enigszins mysterieuze stem “that’s serious, it’s a lack of synergy”en liet haar daarna achter om naar het kleine podium terug te keren. Wat moest ze daar nou weer mee?

 

Een vol uur hadden de wapenbroeders het Keltische vuur over het publiek uitgestrooid. Iedereen genoot, mensen dansten tussen of op de tafels, stoelen en banken werden tot trommels omgetoverd, en bij de ballades werd er in koor meegezongen, de sfeer werd alleen maar beter. Bij de aankondiging van het alom bekende “Loch Lomond” riep de leadzanger ineens ene Pauline en een Alistair uit Nederland naar het podium. Stomverbaasd liep de accordeonist naar voren bij het horen van zijn voornaam, die hij beslist niet bekendgemaakt had, al was het maar omdat hij er een bloedhekel aan had. Zijn vrienden noemden hem altijd PeePee, ooit verzonnen toen hij zijn trekzak oneerbiedig een PensPiano had genoemd, en sindsdien was hij die naam nooit meer kwijtgeraakt. En wie was toch die Pauline, toen ze naar voren liepen wist hij wel zeker dat hij haar eerder had gezien.. Pauline was even verbaasd dat haar naam bekend was bij de groep. In tegenstelling tot de accordeonist wist zij wel direct wie hij was, de man die haar tweemaal had besprongen in een klein personenbusje, al was dat niet met bijbedoelingen geweest. Ze had zijn naamkettinkje altijd met een dubbel gevoel bewaard, deels omdat ze het een mooie naam vond “Alistair”, zo sjiek, en deels omdat ze aan die bewuste dag met die bewuste knal tegen de andere bus, toch wel wat aparte herinneringen had overgehouden. Ze had zijn ogen niet vergeten die haar zo probeerden te ontwijken, zo grappig verlegen. En het melodietje dat ze begon te neuriën, en waar hij op reageerde later had ze het zelfs uitgeschreven en het was een heel mooi intermezzo melodietje geworden dat ze vaak gebruikte bij het voorspelen. En toen ze in Killin aan de tafel een plaatsje vond, had ze hem direct herkend. Maar het was aan hem om initiatief te nemen, vond ze.

 

Hoe de mannen aan hun namen waren gekomen, bleef een raadsel. Toen ze tegenover elkaar stonden gaf hij haar een hand. “Plien” zei ze, “Aangenaam.. PeePee” zei hij daarop en “wederzijds”. Ze fronste haar voorhoofd, PeePee was beslist niet wat er op de halsketting in haar tasje stond, en ook niet wat Kevin zojuist had geroepen. Maar veel tijd hadden ze niet, zowel Kevin als Brian vroegen hen nadrukkelijk of ze hun instrumenten bij zich hadden. Verbaasd keken ze eerst elkaar aan, en Pauline zei: “Ja, maar wel in het pension…” en ook Alex (zo was zijn eigenlijke roepnaam) gaf een beetje aarzelend toe dat ook hij de zware koffer met inhoud mee had gesleept naar Schotland, wie was er nou zo gek? En bovendien, hoe wisten ze het? Zomaar in het wilde weg vraag je zoiets niet, en zeker niet als je als hoofd-act op een podium bezig bent. Maar ook hierover was er geen tijd om te analyseren, want de heren droegen hen onmiddellijk op om de instrumenten even op te halen en zich daarmee te melden voor de microfoons. Alex haalde de schouders op, keek haar even aan en zag dat ze haar wenkbrauwen optilde en met zo’n gebaar van “nou vooruit dan maar, wat hebben we te verliezen? ermee instemde. “Waar moet je heen? Dan rijden we even met mijn auto” vroeg hij toen ze naar de kapstokken liepen om hun jas te zoeken. “Fairview House”zei ze, en hij schoot in de lach. “Welke kamer?” ”Hoezo, logeer jij daar ook?” “Toevallig hè, ik zit in kamer drie op de eerste etage.” “Nou zeg, dan zijn we dus buren, ik woon in vier”. Zoveel toeval, daar was hij nog niet klaar mee. Hier zat een luchtje aan. Het zoeken naar hun jassen duurde even, zij had hem het eerst en liep alvast de parkeerplaats op. Hij kwam er een paar meter achteraan, en zag haar de lange (bekende) kastanjebruine jas aantrekken; in een flits kwamende beelden terug van nu bijna een jaar geleden, het buurtbusje, de gele en blauwe stoeltjes, de guitige blik in haar ogen toen hij in de spiegelende ruit had gekeken, en vooral…”Muts!” riep hij keihard over het pleintje, en op het zelfde moment sloeg hij verbijsterd zijn hand voor zijn mond. Ze stond als aan de grond genageld over zoveel hufterigheid, en ze dacht “Wat nou muts, ik ken je nauwelijks, en al gelijk schelden mannen!” en eigenlijk had ze haar besluit daar al genomen; niks instrument ophalen, maar gewoon naar het pension terug en morgen naar huis.. Maar ze had buiten de waard (in dit geval, buiten de accordeonist) gerekend, zeer bewust van zijn daad sprintte hij naar haar toe, nam haar nogal bruusk bij de schouders en stamelde “Sorry, sorry, dat was niet bedoeld om je te kwetsen! Oejoei toch, oejoei toch, maar je had toen een muts op, een hele leuke, zo met allerlei kleurtjes.. in het busje, je zat tegenover mij en je had een cello bij je en je zat op geel, en ik op blauw en toen hebben we gebotst en nog eens en en” het kwam op het laatst als een waterval, geen woord meer gestameld, en ze moest er ineens heel erg mee lachen. Vertederd was ze omdat hij blijkbaar zijn verlegenheid had moeten overwinnen met alweer een blunder, al was het niet zo bedoeld. “Ja, ja” zei ze, “het is wel goed. Excuus geaccepteerd, ik had je trouwens al eerder herkend, Alistair..” Een beetje plagerig sprak ze zijn naam uit, en meteen hapte hij weer, daarmee bevestigend dat hij poepie-nerveus was. “Zeg dan maar Alex, of PeePee, maar niet die kaknaam..” “Nou, ik vind hem reuze sjiek, niks kak hoor” daarmee het ijs voldoende brekend.

 

In zijn stationcar reden ze snel naar het gasthuis en haalden de instrumenten op. Tijdens de rit babbelde PeePee honderduit over het optreden en zijn enorme liefde voor de Keltische cultuur, en zij deed volop mee, het was net alsof ze elkaar al een hele tijd kenden. Maar het duurde slechts een halfuurtje, en daar stonden ze weer als twee stagiaires voor het geïmproviseerde podium, in afwachting van wat komen ging. Ze waren natuurlijk niet helemaal gek, en wisten dus dat ze tussen de muzikanten geïmplanteerd werden om een Keltische Jam-sessie te gaan doen, en zo geschiedde. Beiden speelden in het begin met samengeknepen billetjes, om niet als eerste de beruchte piep te produceren, maar uiteraard wist geen het van de ander. Elk had zo zijn eigen spanningsveld.. En warempel, ze deden het erom Kevin zette in voor de ballade over Carrickfergus, het Ierse havenstadje dat zo vaak wordt bezongen, en waarin zowel de cello als de accordeon beproefd werden op die dekselse drone. Het zweet parelde op hun beider voorhoofd, met de moed der wanhoop knalden ze hun hart naar buiten doorheen hun instrumenten en ziedaar: niks piep, niks kreun, enkel een publiek dat nog gekker werd dan het al was van enthousiasme. Alex keek haar in de ogen, zij keek terug en al spelende lieten ze elkaar niet meer los, dreven elkaar en ook de sessiegroep tot steeds groter hoogte, dan weer de cello die een melodielijn afpikte van de accordeon, feilloos aangevoeld door Alex die dan helemaal terug leunde en haar liet soleren, en in een prachtige wisselduet nam hij dan van haar over en liet zijn vingers weer dansen zoals toen hij nog maar tien was en de muziekleraar het vol bewondering had aanschouwd; al jaren was deze virtuositeit verstoft, paste hij hem niet meer toe. Maar nu was die weer ontwaakt, en het was dat de kastelein om vijf uur ’s morgens een einde aan het festijn maakte, waar zelfs bijna iedereen van het publiek was gebleven.

 

Epiloog

 

Volledig uitgeput maar met een gevoel in hun lijf dat ze beiden niet konden bevatten, een mengeling van geluk, vrede, opwinding, verbintenis, reden ze naar hun pension en namen voor de deur van kamer drie vluchtig afscheid met een heuse omhelzing, en doken vervolgens de douche en daarna hun bed in, volledig leeg gespeeld. Al hadden ze gewild, een romantischer einde van deze fabuleuze avond hadden ze nu niet tot een goed eind gebracht. Ze hadden beiden de overtuiging dat de ander er morgenvroeg nog wel zou zijn, ze hadden elkaar gevonden en zouden elkaar nu niet meer loslaten, zo voelde het tenminste. Maar ook die prangende vragen, in hun beider koppie raasden die nog rond totdat de slaap hen ervan verloste. Hoe wisten die mannen hun namen? En over de instrumenten? En waar was de piep gebleven? Zoveel toeval.

 

In de dagen erna zouden ze een heuse inhaalrace doen, hun vakantiedagen werden met een paar telefoontjes verlengd, en de Highlandse schapen waren getuige van een paar dat elkaar nooit meer zou loslaten. Kamer vier werd van zijn huurder verlost, want drie had toch een tweepersoons bed, een hemelbed nog wel. Alweer toeval? “Synergy” dachten ze, onafhankelijk van elkaar, “Nu weet ik wat hij bedoelde...” en dan hielden ze elkaar in een innige omhelzing vast.

 

Tegen de tapkast, onder de grote shamrock spiegel, stond in het halfdonker een gast geleund die nog niet naar huis was gegaan. De muzikanten die hun instrumentarium aan het opruimen waren, zagen hem staan toen de zaal vrijwel leeggelopen was. Ze liepen naar hem toe en gaven hem een stevige begroeting, zoals bekenden onder elkaar doen. “Well” zei de man met een onmiskenbaar buitenlands accent, “Did it work?” daarbij het laatste woord uitsprekend met de kromgebogen tong die de Schotse uitspraak zo typeert. “O yeah, definitly, Maciel” zei Kevin tegen de Brabander, “No doubt, they found their synergy!” Maciel glimlachte, zijn plannetje was gelukt, met de hulp van zijn Schotse kameraden, en voor zijn uitgeverij had hij alvast de nodige ideeën met zijn nichtje en haar Keltische soul mate in gedachten uitgewerkt. De drie mannen besloten om er nog een stuk of wat half-pints tegenaan te gooien.

 

 

 

© 2008 Ron Rouvroye